Landenweb.nl

INDONESIE
 

Basisgegevens
  Officiële
  landstaal
  Indonesisch
  Hoofdstad  Jakarta
  Oppervlakte  1.904.569 km²
  Inwoners  269.159.832
  (mei 2019)
  Munteenheid  roepie
  (IDR)
  Tijdsverschil  +6 tot +8
  Web  .id
  Code.  IDN
  Tel.  +62

Steden INDONESIE

JakartaYogyakarta

Populaire bestemmingen INDONESIE

BaliJavaSumatra

Geografie en Landschap

Geografie

Indonesië (Republik Indonesia) is een republiek in Zuidoost-Azië, gelegen tussen het Aziatische vasteland en Australië. Indonesië is gelegen in de Austraal-Aziatische Middelzee tussen de Indische en de Grote Oceaan. Deze zee bestaat uit een aantal kleinere zeeën, onder andere Javazee, Floreszee, Arufurazee, Bandazee, Timorzee en Zuid-Chinese Zee.

advertentie

Indonesië Satellietfoto

photo:Publiek domein

De archipel omvat 17.508 (delen van) eilanden, waarvan er ca. 990 bewoond worden en er maar ca. 6000 een naam hebben.

Indonesië heeft een landoppervlakte van ongeveer 1.95 miljoen km², is daarmee het grootste land van Zuidoost-Azië en ongeveer vijftig keer groter als Nederland. Van het eilandje Sabang in het westen, tot de grens van Irian Jaya bij Marauke in het oosten, meet Indonesië ca. 5100 kilometer, ongeveer een achtste deel van de aardomtrek. De lengte van de noord-zuidas bedraagt ca. 1760 km.

De totale oppervlakte van Indonesië, inclusief de territoriale wateren, bedraagt meer dan 5 miljoen km². Ca. 64% van de oppervlakte van Indonesië bestaat dus in feite uit water. Indonesiërs noemen hun land dan ook niet voor niets Tanah Air Kita, ‘ons land en water’.

De grootste eilanden zijn Kalimantan (539.460 km²), het Indonesische deel van het eiland Borneo, Sumatra (473.606 km²), Irian Jaya (421.981 km²), het Indonesische deel van Nieuw-Guinea, Sulawesi (189.216 km²) en Java (132.187 km²). Tezamen beslaan zij meer dan 90% van het totale grondgebied van de republiek.

Binnen de archipel kunnen zo’n 30 kleinere eilandengroepen onderscheiden worden, die zijn samengebracht in vier regio’s: de Grote Sunda-eilanden, te weten Java, Sumatra, Sulawesi (Celebes) en Kalimantan (Borneo); de Kleine Sunda-eilanden, die zich uitstrekken van Bali tot Timor; de Molukken, een groep van ca. 1000 eilanden en eilandjes waaronder Ambon, Ceram, Ternate, Tidore, de Banda- Aru- en Tanimbar-eilanden, Halmahera en Morotai; en Irian Jaya met omringende eilanden.

advertentie

Kleine Sunda Eilanden

afbeelding: Lencer, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported, no changes made

Indonesië grenst aan Oost-Timor (228 km), Maleisië (1782 km) en Papoea Nieuw-Guinea (820 km). Over zee grenst Indonesië aan Maleisië, Singapore, Vietnam, de Filippijnen en Australië. De totale lengte van de kustlijn bedraagt 108.000 km volgens de laatste satellietbeelden van februari 2003.

Landschap

De enorme verscheidenheid aan landschappen is een gevolg van klimatologische en geologische factoren. Zo zijn de eilanden van West-Indonesië altijd bedekt geweest met dichte tropische regenwouden, de Oost-Indonesische eilanden daarentegen zijn veel droger met zelfs savannelandschappen. Het grootste gedeelte Van Indonesië bestaat uit laaggelegen kustgebieden en koraalriffen.

De hoogste bergketen van Indonesië, bedekt met eeuwige sneeuw, ligt in Irian Jaya. Hier bereikt de Puncak Jaya een hoogte van 5040 meter.

advertentie

Puncak Jaya, hoogste berg van Indonesië

Foto:Alfrindra Primaldhi Creative Commons Atribusi 2.0 Generikno changes made

Regenwouden

Het ecologisch evenwicht in het regenwoud wordt ernstig bedreigd door menselijke activiteiten of de gevolgen daarvan. Zo vindt er op grote schaal houtkap plaats, met als gevolg een toenemende erosie. In 1997 gingen bovendien nog eens gigantische stukken regenwoud verloren door bosbranden. Het nog resterende bosareaal van Indonesië beslaat ongeveer 60% van het totale landoppervlak. Het gaat daarbij vooral om zo’n 100 miljoen hectare tropisch regenwoud, na Brazilië het grootste oerwoudgebied op aarde.

Java behoort tot de dichtstbevolkte eilanden ter wereld en het is dan ook niet vreemd dat meer dan 90% van de natuurlijke vegetatie is vernietigd. Het grootste deel van het resterende primaire bos wordt alleen nog maar aangetroffen in verlaten, bergachtige streken boven de 1400 meter. Praktisch alle laagland-regenwouden zijn ontgonnen voor landbouwbedrijven en boomplantages.

advertentie

Rivier en oerwoud in Bogor, West-Java

photo: Mohd Fahmi Mohd Azmi, CC Attribution-Share Alike 2.0 Generic no changes made

De regenwouden van de Kleine Soenda-eilanden (Nusa Tenggara) zijn veel minder weelderig dan die van de overige delen van Indonesië. Het regent weinig in deze streek en gedurende het droge jaargetijde zijn de wouden buitengewoon kwetsbaar voor bosbranden. Hier treft men een savannelandschap aan.

Kalimantan in het grootste houtexportgebied van heel Zuidoost-Azië. Grote delen van de wouden zijn dan ook zwaar toegetakeld.

Op het eiland Sulawesi komen nog grote arealen primair regenwoud voor.

De meest uitgestrekte regenwoudarealen van de Molukken komen voor op de eilanden Halmahera en Ceram.

Op het eiland Nieuw-Guinea komen de meest uitgestrekte regenwouden van heel Zuidoost-Azië voor, in totaal ongeveer 700.000 km2. Ongeveer 80-85% van het tropenwoud van Irian Jaya, het westelijk deel van het eiland Nieuw Guinea, en 75-80% van dat van Papoea Nieuw Guinea ligt er nog in de oorspronkelijke toestand bij.

Geheel Irian Jaya, met uitzondering van het zuidoostelijke deel, wordt met regenwoud bedekt.

Rivieren en meren

De grote eilanden worden doorsneden door grote rivieren die in de bergen ontstaan en als brede stromen het laagland ingaan. Enkele grote rivieren zijn de Kapuas en de Barito op Borneo, de Musi op Sumatra en de Brantas op Java. De meeste rivieren op Java stromen naar het noorden en monden uit in de Java Zee. De rivieren op Java zijn relatief lang. De Solo-rivier ontspringt op Midden-Java, vlak bij de zuidkust van het eiland, en kronkelt over een afstand van zo’n 600 km voordat ze bij Soerabaja in de Java Zee uitmondt. Het rivierenstelsel van Kalimantan is indrukwekkend, met ook de langste rivieren van Indonesië. De in westelijke richting stromende Sungai Kapuas is langer dan 600 km, de naar het oosten afwaterende Mahakam en de naar het zuiden stromende Sungai Barito zijn ongeveer 500 km lang.

Het Danau Tobameer is met 1700 km2 het grootste meer van Zuidoost-Azië; met 450 meter een van de diepste en bovendien een van de hoogstgelegen (900 m) meren ter wereld.

advertentie

Het Danau Tobameer is met 1700 km2 het grootste meer van Zuidoost-Azië

photo: PL 05 SIGIT, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Borneo telt in totaal ca. 110 meren, waaronder enkele grote zoals dat van Jempang (15.000 ha), Semayang (13.000 ha) en Melintang (11.000 ha). De grootste meren van Irian Jaya zijn de Danau Paniai, voorheen de Wisselmeren, en het Danau Sentani bij Jayapura.

Vulkanen en aardbevingen

Op Indonesië zijn nog meer dan 100 vulkanen actief. De bekendste is de Krakatau of Rakata, een eilandvulkaan gelegen tussen Sumatra en Java. Andere bekende vulkanen zijn de Agung op Bali, de Merapi, Kelud, Semeru, Pangranro en Gede op Java, de Rinjani op Lombok en de Galunggung op West-Java. De actiefste vilkaan is wel de Tambora op het eiland Sumbawa. Het gebied waar al deze vulkanen liggen wordt ook wel de ‘Ring van Vuur’ genoemd. Gemiddeld registreert men ca. 10 keer per jaar een grote uitbarsting.

Dit levert niet alleen problemen op, maar heeft ook een positieve kant. De mineraalrijke as die uitgestoten wordt, verspreidt zich via rivieren en irrigatiekanalen over het hele land. Hierdoor is Indonesië een van de vruchtbaarste landen ter wereld. Met name de jonge vulkanische asgronden van Oost- en West-Java zijn uitstekende landbouwgronden, o.a. voor de natte rijstbouw. De voor het landschap zo karakteristieke terrasvormige akkers of sawa’s, zijn vaak zelfs gelegen tegen de hellingen van vulkanen. Alleen Kalimantan heeft geen geschikte landbouwgronden. Dit is geen vulkanisch eiland en de aanwezige moedergesteenten betsaan vooral uit zandsteen en graniet. Minder geschikt voor de landbouw zijn ook de roodgele uitgeloogde gronden in het natte noordwesten van Java en de terra-rassagronden aan de zuidkust van het eiland. Naast kegelvormige vulkanen zijn er ook vulkanen met meerdere kraters en vulkanen met een hele reeks secundaire kegels.

advertentie

Mount Bromo op Java, Indonesië

photo: sara marlowe, Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

Toen de Krakatau in 1883 tot uitbarsting kwam, was de kracht van de eruptie te vergelijken met de ontploffing van enkele waterstofbommen. De uitbarsting veroorzaakte vloedgolven die op Java aan meer dan 35.000 mensen het leven kostten.

De explosie van de Krakatau werd nog overtroffen door de uitbarsting van de vulkaan Tambora op Sumbawa in 1815, waarbij 90.000 mensen om het leven kwamen en de uitgestoten as de zon vele maanden lang verduisterde.

advertentie

De uitbarsting van Mount Tambora in 1815. De rode gebieden op de kaart gevn de dikte aan van de vulkanische as.

afbeelding: myself, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Naast vulkaanuitbarstingen komen er ook talloze aardbevingen voor. Elk jaar worden over heel Indonesië gemiddeld 500 tot 1000 bevingen geregistreerd, waarvan de meeste gelukkig maar een geringe kracht hebben.

Wanneer het epicentrum van een aardbeving echter in zee ligt, dan kan zo’n zeebeving een verwoestende vloedgolf of ‘tsunami’ veroorzaken, en die is vaak veel gevaarlijker dan de beving zelf.

Klimaat en Weer

Met uitzondering van het hoogland, heeft het grootste deel van Indonesië een zeer vochtig (vaak boven de 90%) tropisch regenklimaat, waarbij de gemiddelde maandtemperaturen maar weinig verschillen van het hoge jaargemiddelde, dat rond de 25 tot 27°C ligt. De maximumtemperatuur kan een waarde bereiken van 36°C.

advertentie

Klimaatkaart Jakarta, Java

afbeelding:Hedwig in Washington CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De temperatuur in het gebergte neemt met ongeveer 1°C per 170 meter stijging af. In het centrale gebergte van Nieuw-Guinea komt op de toppen boven ca. 4500 meter eeuwige sneeuw voor en kan het kwik dalen tot onder het vriespunt. Delen van Java, Bali, Nusa Tenggara, Sulawesi, de Molukken en Irian Jaya kennen een savanneklimaat met een korte droge tijd. In de Palu Vallei van Centraal-Sulawesi valt jaarlijks minder dan 500 mm, en is daarmee het droogste gebied van de archipel. Op de zuidoostelijker gelegen eilanden Timor en Roti kan het droge jaargetijde zeven maanden duren.

Wat betreft de neerslag bestaan er grote verschillen, zowel naar hoeveelheid als naar het seizoen waarin deze valt. Vanaf december tot eind maart komen de heersende winden vanuit het noordoosten over Noord-Sumatra, Kalimantan en Sulawesi, maar tijdens het passeren van de evenaar buigen zij af en worden boven Java, Nusa Tenggara en daar voorbij westnoordwest. Van juni tot oktober is de richting andersom, waarbij een uitzonderlijk droge luchtstroom vanuit de Australische woestijn de zuidelijke helft van Indonesië passeert en boven Sumatra van een zuidoostelijke in een zuidwestelijke richting verandert.

advertentie

Klimaatdiagram Padang, Sumatra

afbeelding:Hedwig in Washington CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Dan heeft deze luchtstroming inmiddels veel waterdamp opgenomen. De neerslag valt niet gelijkmatig over het jaar verdeeld. Er zijn droge en natte maanden. Het aantal droge maanden neemt in het algemeen van het westen naar het oosten en van het noorden naar het zuiden toe. Er wordt van een droge maand gesproken als er minder dan 60 mm neerslag valt. Maar in gebieden die in hoge mate blootstaan aan de moessons komt veel zwaardere regenval voor. In Padang bijvoorbeeld, op de zuidwestelijke hellingen van Sumatra, valt jaarlijks ca. 4500 mm. De gemiddelde jaarlijkse neerslag ligt tussen de 2000 en 3000 mm, in Jakarta 1800 mm.

Klimaatdiagram Mando, Celebes

afbeelding:Hedwig in Washington CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

In het algemeen kan men zeggen dat het van oktober tot mei in Indonesië de natte-moessontijd (‘musim hujan’) is. In de namiddag regent het dan vaak enkele uren zeer plaatselijk, waardoor alles weer opfrist en de temperatuur iets daalt. De meeste regen valt in januari en februari.

Tropische regenbui boven Medan, Sumatra

photo: Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures, CC 3.0 Unported no changes made

De droge tijd (‘musim kemarau’), van mei tot oktober, is het gunstigst om te reizen. Het is dan wel erg warm, en er valt maar af en toe een buitje dat de natuur weer opfrist.

Onderstaande zeer globale tabel geeft een goed beeld van het gelijkmatige klimaat van Indonesië.

janfebmaaaprmeijunjulaugsepoktnovdec
min. temp.232323232323232323232323
max. temp.292930303131313131313030
luchtvochtigheid848483818080777575767981
regendagen/maand131256687668911

Planten en dieren

Planten

De Indische archipel heeft een zeer rijke flora, die zich van west naar oost wijzigt in samenhang met het in deze richting droger wordende klimaat. In totaal zijn er meer dan 45.000 bloeiende plantensoorten, en dat is ca. 10% van alle soorten bloemen en planten die er op aarde voorkomen. Er zijn 250 bamboesoorten en 150 verschillende soorten palmen. Alleen al van het eiland Borneo zijn zo’n 3000 boomsoorten bekend, en in de regenwouden van Irian Jaya komen meer dan 2500 soorten orchideeën voor, waaronder de grootste ter wereld, de tijgerorchidee met zijn drie meter lange sleep van bloemen. Irian Jaya is ook bekend vanwege zijn insectenetende bekerplanten.

Sumatra, Borneo en Nieuw-Guinea buiten de gebergten en oorspronkelijk ook West- en Midden-Java zijn, respectievelijk waren bedekt met zeer dicht tropisch regenwoud. Een van de vele woudreuzen is hier nog steeds de ijzerhoutboom, die opvalt door zijn gladde stam die een diameter van 2-3 meter kan bereiken en die tot 40 meter hoog kan worden. De ‘waringin’ wordt in verschillende delen van Indonesië als een heilige boom beschouwd. De waringin is een vijgenboom met een wirwar aan luchtwortels die een indrukwekkende omvang kunnen bereiken.

Waringin of ijzerhoutboom op Java

photo:Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures CC 3.0 Unported no changes made

Veel tropisch regenwoud verdwijnt doordat de zich uitbreidende bevolking steeds meer landbouwgrond nodig heeft en daarom meer en meer bos kapt. Ook de kap ten behoeve van de houtindustrie heeft een zware tol op het bestand. Een goed voorbeeld is Java, waar het bos bijna geheel door landbouwgewassen en onkruiden is vervangen. Ook op Bali en een groot deel van Sumatra is het tropisch woud nagenoeg geheel vervangen door cultuurland (rijstvelden, rubber- en palmplantages).

In het drogere Oost-Indonesië overweegt het in de droge tijd deels kale moessonbos; belangrijk is hier het houtleverende djatibos. Op het droge oostelijke Nusa Tenggara komt savannebegroeiing voor. Afhankelijk van hoe droog het klimaat is, zijn de bossen hier gedeeltelijk of helemaal bladverliezend, bijvoorbeeld de teakboom.

Langs de slibrijke zeekusten treft men mangrove-vloedbossen aan, die zich ook langs de rivieren tot ver in het binnenland uitstrekken; daarachter groeien vooral op Sumatra en Borneo vaak uitgestrekte veenmoerasbossen in voedselarm zoet water. De mangrovebomen worden gekenmerkt door hun stelt- en ademwortels. Langs de kust groeit de Rhizophora, te herkennen aan zijn dolkvormige vruchten, die al ontkiemt zijn voordat ze van de boom vallen.

Rhizophora stylosa in het mangrovebos van Cilintang, Taman Nasional Ujung Kulon, Bante op Java

photo:Putra Mahanaim Tampubolon CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes

De vegetatie van de gebergten verandert met de hoogte en vertoont gordels die vergelijkbaar zijn met de klimaatgordels die men aantreft tussen de evenaar en de polen: tot 1000 meter de tropische gordel; tot 1500 meter de submontane gordel; tot 2400 meter de montane zone; tot 4000 meter de subalpine gordel; boven 4000 meter graslanden met mossen en korstmossen en verspreide struiken, vergelijkbaar met de alpine flora. In het nationale park Gunung Gede Pangrango vinden we boven de boomgrens de laatste resten van de Javaanse bergflora. Hier groeit onder andere het Javaanse edelweiss, gentianen, bramen, aardbeien en sint-janskruid. In de koelere bergstreken groeien verder veel varensoorten, rododendrons, terpentijnbomen, beuken, eiken en acacia’s. Orchideeën leven zowel in het oerwoud als hoog in de bergen.

Kenmerkende bomen van de archipel zijn o.a. de palmen: kokospalm, oliepalm, nipapalm, lontarpalm, pandanpalm, sagopalm, arènpalm (palmwijn, suiker), pinangpalm (betelnoten), rotan en de vele soorten van het geslacht Ficus.

In het westelijk deel van de archipel overheersen de hardhout leverende Dipterocarpaceae.

Tot de bedreigde soorten van de Indonesische flora behoort onder andere de beroemde Rafflesia arnoldii (Midden- en Zuid-Sumatra), de grootste parasitaire bloem ter wereld, waarvan de bloesem een diameter van één meter kan bereiken. De Rafflesia klampt zich vast aan de wortels van zijn gastheer, de lianensoort Viatceae, waaraan hij ook alle voedingsstoffen onttrekt. De knop heeft twee jaar nodig om uit te komen. Rafflesia arnoldii is een van de drie nationale bloemen van Indonesië, naast de Arabische jasmijn en de maanorchidee.

Rafflesia Arnoldii, grootste bloem op aarde komt in Indonesië voor

photo:Rendra Regen Rais CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Arabische jasmijn, een van de nationale bloemen van Indonesië

photo: Kobako, Creative Commons Attribution-Share Alike 2.5 Generic no changes made

Maanorchidee, een van de nationale bloemen van Indonesië

photo: Orchi, Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported, no changes made

Op Borneo vinden we de enige zwarte orchidee ter wereld, de Coelogyne pandurata. Een veel voorkomende plant is de ‘melati’, een geurige jasmijnsoort. Een van de mooiste, weelderigst bloeiende bomen van Indonesië is de flamboyant of bosvlam, een van oorsprong uit Madagaskar afkomstige boom. De flamboyant wordt door heel Indonesië aangeplant als schaduwboom.

Indonesië staat ook bekend om zijn grote variëteit aan tropische vruchten, o.a. blimbing, manggis, durian, nangka, rambutan, jambu air en salak.

Ramutan

photo: frank wouters from antwerpen, belgium, CC Attribution 2.0 Generic no changes made

Dieren

De dierenwereld van Indonesië vertoont zowel Aziatische als Australische elementen. De ‘Wallace-lijn’ (zie hieronder), tussen de Filippijnen, Borneo en Bali enerzijds en Sulawesi en Lombok anderzijds, geeft ongeveer de scheiding aan. Vele eilanden vertonen een mengfauna en zijn daarom van groot belang voor biologen. Dit overgangsgebied wordt ook wel ‘wallacea’ genoemd.

De fauna van de Grote Sunda-eilanden, met uitzondering van Sulawesi, komt voornamelijk overeen met die van het Aziatische vasteland. Nusa Tenggara, ten oosten van Bali, Molukken (o.a. de Seram-buideldas) en Irian Barat hebben een meer Australisch karakter, al ontbreken Aziatische elementen er niet. Op vele eilanden die in het verleden (Pleistoceen) met elkaar of met het continent samenhingen, konden, als gevolg van langdurige isolatie, nieuwe endemische rassen en soorten ontstaan die nergens anders ter wereld voorkomen.

Beroemdste mensaap van Indonesië is de orang-oetang (‘bosmens’), die alleen op Sumatra en Kalimantan (Borneo) voorkomt. De orang-oetang is een sterk bedreigde diersoort, waarvan nog maar zo’n vijfduizend exemplaren in het wild leven.

Orang-oetang, mensaap komt alleen voor in Indonesië

photo: Bernard DUPONT, CC Attribution-Share Alike 2.0 Generic no changes made

De zeer bijzonder uitziende neusaap komt alleen op Kalimantan voor. De rode neus van het mannetje kan wel 15 centimeter lang worden. Gibbons (o.a. siamang, withandgibbon, zilvergibbon, oenka en Müllers gibbon) zijn beperkt tot de westelijke eilanden; Sulawesi en de overige oostelijke eilanden hebben andere apensoorten. Met name op Sumatra komen ook de zogenaamde bladapen (langoeren of slankapen) voor. Van deze sierlijke apen zijn er op Sumatra 30 soorten en ondersoorten. Het bijzondere van deze apen is dat ze relatief veel bladeren en zaden eten. Halfapen als lori’s en spookdiertjes, evenals toepaja’s, komen alleen in het westen voor.

Kleine toepaja

photo: Paul J. Morris, CC Attribution-Share Alike 2.0 Generic no changes made

De grote zoogdieren van het regenwoud zijn nog maar af en toe te zien. Olifanten komen nog voor op Sumatra en Noord-Kalimantan. De eenhoornige Javaanse neushoorn komt alleen nog voor in het reservaat Ujung Kulon in West-Java; de tweehoornige Sumatraanse neushoorn leeft in Indonesië alleen nog in Kalimantan. De Sumatraanse tijger komt alleen nog voor in de regenwouden van Sumatra, de grootste katachtige van Kalimantan is de nevelpanter. Op Sumatra en in Kalimantan komt de honingbeer of Maleise beer voor. Tapirs leven in laaggelegen moerasbossen.

Sumatraanse tijger

photo: publiek domein, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Van de herkauwers verdienen de banteng of wilde buffel (alleen op Java), de anoa van Sulawesi en de bosgems van Sumatra vermelding. De banteng (tot 800 kilo) is nauw verwant aan de gaur, de grootste wilde rundersoort. Waterbuffels behoren tot de gedomesticeerde dieren. In Indonesië komen twee soorten voor: de rivierbuffel en de moerasbuffel. Beiden worden door de bevolking karbouw of ‘kebo’ genoemd. De witte zeboe, in Indonesië ‘lembu’ of ‘sapi putih’ genoemd, stamt waarschijnlijk af van de wilde gaur, maar is al lange tijd gedomesticeerd.

Banteng

photo: Buyung Sukananda, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Op Java leeft de kantjil of Javaans dwerghert, het Javaanse hert of ‘rusa’, het zeldzame Javaanse wrattenzwijn, de luipaard, de zwarte panter en de gevlekte panter. Het Bawean-hert is een van de meest zeldzame hertensoorten ter wereld en komt alleen op het vulkanische eiland Bawean, 150 km ten noorden van Java, voor. In de bossen van het nationaal park Bromo-Tengger-Semeru leven wilde zwijnen, boskippen, langoeren, ‘kijang – een klein hert- Javaanse miereneters en ‘luwak’, een soort rolmarter.

Bawean hert

photo: Midori, GFDL, cc-by-sa-2.1-jp, no changes made

De zoogdierfauna van Maluku (Molukken) bestaat voornamelijk uit kleine soorten hogere zoogdieren en buideldieren, zoals de vliegende buideleekhoorn, drie soorten koeskoezen, wallaby’s of boomkangoeroes en veertig soorten vleermuizen waaronder kleine insecteneters en de grote vliegende honden of ‘kalongs’. De zee rond het eiland Aru is bekend om de ‘doejongs’ of zeekoeien. Op Ambon komt de ‘soa-soa’, Indische of of watervaraan voor. Voor de handel in levende vogels zijn de rode lori, de bloedvleklori, de roodkuifkaketoe en de blauwstuithoningpapegaai erg gewild.

Indische of watervaraan

photo: Tiia Monto, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Ook op Kalimantan en Sumatra komen veel zweefvliegers voor, o.a. vliegend draakje (‘Draco’), vliegende kikker, vliegende gekko en vliegende kat.

De mangrove-bossen worden bewoond door o.a. wenkkrabben, slijkspringers, ijsvogels en de bizar uitziende neusaap, die alleen op het eiland Borneo voorkomt.

Sulawesi is een geval apart. De meeste dieren hebben een Aziatische oorsprong; de twee soorten koeskoezen (o.a. beerkoeskoes) die hier voorkomen zijn echter onmiskenbaar buideldieren en typisch Austraal-Aziatisch.

Dieren die nergens anders voorkomen zijn dwerg- of gemsbuffels (anoa), de babirusa, een wild zwijn met gebogen slagtanden, de netpython, de grote palmmarter, het Sulawesi-spookdiertje of ‘tarsier’ (met een lengte van 10 cm de kleinste aap ter wereld) en de kuifmakaak of zwarte baviaan.

Op de Togian-eilanden komt de grootste, op het land levende geleedpotige voor, de kokospalmkreeft of de klapperdief, familie van de heremietkreeft. Deze enorme kreeften, althans de mannetjes, kunnen een gewicht van vijf kilo bereiken en hun gestrekte scharen hebben een spanwijdte van maar liefst 90 cm.

Kokoskrab, ook wel palmendief, ganjokrab, kokosdief of kokospalmkreeft

photo: John Tann from Sydney, Australia, CC Attribution 2.0 Generic no changes made

Bijzonder is ook de maleo of hamerhoen, een loopvogelsoort die haar eieren in het zand begraaft – de eieren worden door de vulkanische warmte uitgebroed.

In Indonesië komen zo’n 1500 vogelsoorten voor, waaronder vele Austraal-Aziatische soorten als de kasuaris (op Irian Jaya komen drie soorten voor: de helmkasuaris, de oranjehalskasuaris en de dwergkasuaris), kaketoes, vele andere papegaaiensoorten en meer dan veertig soorten paradijsvogels, die alleen voorkomen op de Noord-Molukken, de Aroe-eilanden en Irian Jaya. Van de vogelwereld dienen verder genoemd te worden: de majestueuze argusfazant, trogons, bladvogels, kroonduiven, baardvogels en grootpoothoenders. De pauw komt alleen op Java voor.

Bijzonder is dat van de 600 vastgestelde vogelsoorten op Borneo, er 128 niet in Kalimantan voorkomen.

Op de Molukken komen ca. 350 vogelsoorten voor, waaronder de endemische Wallace-paradijsvogel en de grote roodkuifkakatoe.

Wallace' paradijsvogel, vernoemd naar Alfred Russel Wallace, de Britse natuuronderzoeker en auteur

photo: Hectonichus, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no chnges made

In de regenwouden van Sumatra en Kalimantan leven exotische vogels als Schneiders pitta, bronsstaartpauwfazant, ijsvogels, ibissen en negen soorten neushoornvogels. Sumatra telt 465 vogelsoorten, waarvan er 13 endemisch zijn. Sumatra is na Irian Jaya het vogelrijkst.

Op Bali zijn vooral de vogelsoorten interessant, o.a. de zeer zeldzame, schitterende ‘jalak putih’ of witte Bali-spreeuw, papegaai-amadinen, rijstvogels, purperkoeten, jassana’s en wevervogels.

In het midden van de zeestraat tussen Sumbawa en Flores ligt Pulau Komodo. Hier komt de Komodovaraan of reuzenvaraan voor, de grootste varaan ter wereld. Ook op de eilanden Padar, Rinca, Gili Motong en een deel van (het vasteland van) West-Flores. De Komodovaraan, door de plaatselijke bevolking ‘ora’ genoemd, is een van de oudste nog levende diersoorten en stamt uit het Eoceen, 60 miljoen jaar geleden. Hun huidige aantal wordt geschat op 5000 exemplaren.

Komodovaraan, grootste hagedis ter wereld

photo: Raul654, Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Volwassen mannetjes kunnen een gewicht van 150 kilo bereiken en tot drie meter lang worden. Vrouwtjes zijn een stuk kleiner en leggen per keer zo’n dertig eieren.

Krokodillen zijn beperkt tot de kusten en een aantal rivieren. De zoetwaterkrokodil (‘buaya’) van Irian Jaya kan een lengte van zeven meter bereiken. Op Irian Jaya komen verder nog de groene boompython voor en de koningscobra is de grootste van de vele soorten giftige slangen die in de wouden leven.

Gekko’s (Ind. tokeh) en een kleinere soort, de ‘cicak’, komen overal voor en leven vaak bij de mensen in huis.

Het aantal vissoorten is zeer groot. De karperachtigen, de labyrintvissen en de meervallen, die voornamelijk het zoete water bewonen, ontbreken op de oostelijke eilanden, die toch al een armere zoetwaterfauna hebben. In de wateren van Indonesië bevindt zich de zeldzaamste schelp ter wereld, de Conus gloriamaris met als bijnaam de ‘Glorie van de Zee’, die halverwege de achttiende eeuw in een catalogus voor 120 gulden te koop was, omgerekend nu zo'n 2500 euro.

Conus gloriamaris, ooit de duurste schelp ter wereld

photo: Amada44, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De koraalriffen in het oosten van de archipel behoren tot de rijkste ter wereld; zeeschildpadden worden daar ernstig bedreigd in hun voortbestaan. In het Citirem-natuurreservaat legt de groene zeeschildpad in de maanden augustus-oktober haar eieren op het strand. De Aru-archipel van de Molukken is een belangrijk broedgebied voor verschillende soorten zeeschildpadden, waaronder de beschermde lederschildpad en de Loggerhead-schildpad. De Kai-eilanden vormen het broedgebied voor de groene schildpad, de onechte karetschildpad en de karetschilpad.

In enkele rivieren op Kalimantan zwemt een opvallend dier: de ‘pesut’ of Irrawaddi-dolfijn. Deze dolfijn leeft in het ondiepe en troebele water van onder andere de Mahakam, waar relatief veel vis zit.

Indonesië is buitengewoon rijk aan insecten en andere ongewervelde dieren; de landbloedzuigers zijn alom bekend. Sommige inheemse insecten zijn zeer groot, bijvoorbeeld de atlasvlinder en sommige soorten wandelende tak, die wel 20 centimeter lang kunnen worden. Irian Jaya telt duizenden soorten dagvlinders. De meest spectaculaire zijn ongetwijfeld de vogelvleugelvlinders, ‘kupu-kupu sayap burung’. Ze kunnen een spanwijdte bereiken van 33 cm.

De ‘Wallace-lijn’

De lage zeespiegelstand tijdens de ijstijden en de stijging daarna, heeft belangrijke gevolgen gehad voor de flora en fauna van de archipel. Doordat Sahul-land droog lag tijdens de ijstijd, konden planten en dieren zich in die periode vrijelijk verplaatsen over het gebied ten westen van de lijn Kalimantan-Bali.

Pas ten oosten van deze eilanden werden ze tegengehouden door een diepe zee. Diezelfde zee hield ook de flora en fauna tegen uit het oostelijke gedeelte van Indonesië, Sahul-land en Australië. Die oude scheidslijn is nu nog steeds herkenbaar in de verschillen in flora en fauna tussen de beide gebieden.

De Brit Alfred Russell Wallace (1823-1917), een tijdgenoot van Darwin, was de eerste natuurvorser die ontdekte dat de dierenwereld ten oosten van Bali verschilde van die in de overige delen van Indonesië.

Alfred Russell Wallace

photo: https://wellcomecollection.org/works/zbg5wd4p CC-BY-4.0 no changes made

Hij trok een denkbeeldige grens, later de ‘Wallace-lijn’ genoemd, die gebaseerd was op de oude kustlijn van het Aziatische continentale plat en het verschil aangaf tussen de oriëntaalse en Australische fauna. Ten westen van de lijn (Sumatra, Kalimantan, Java, Madura en Bali) is de dierenwereld oriëntaals, ten oosten ervan (Irian Jaya) Australisch, terwijl in het overgangsgebied (Sulawesi, Nusa Tenggara en de Molukken) sprake is van een mengeling van deze twee typen fauna.

Wallace-lijn

afbeelding: Gunnar Ries, CC Attribution-Share Alike 2.5 Generic no changes made

In november 2010 hebben biologen in de Indonesische jungle een nieuwe apensoort met kogelogen en grote oren ontdekt, zo heeft de Universiteit van Frankfurt bekendgemaakt. Het gaat om een nieuwe soort van de koboldmaki's die een beetje op knuffeldieren lijken en die de naam Tarsius Wallacei meekregen, naar de Britse natuuronderzoeker Alfred Russel Wallace (1823-1913). De Koboldmaki's zijn maar twaalf centimeter groot en behoren tot de kleinste apen van Azië.

Geschiedenis

Prehistorie

Schedel Javamens Indonesie

Photo:Gerbil Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De eerste bewoners van Indonesië woonden op Java. Daar werd in 1891 de schedel gevonden van de Java-mens (homo erectus). Deze mensachtige, die gebruik maakte van vuur, liep al rechtop en leefde ongeveer 500.000 jaar geleden aan het begin van het Pleistoceen. De Java-mens is uitdrukkelijk niet de directe voorloper van de huidige Indonesische bevolking. In 1931 werden er schedels gevonden van een meer ontwikkelde mensensoort, de Solo-mens.

De eerste echte mensensoort die naar de Indonesische archipel migreerde was een Australoïde pygmeeënras, de zogenaamde negrito’s, afkomstig van Nieuw-Guinea en de kleine Sunda-eilanden. Nog later, ca. 10.000-12.000 jaar v.Chr., leefde de Wajak-mens op Java, de eerste homo-sapiens, en de werkelijke voorvader van de huidige bevolking.

Oudheid

Indonesie Sriwijaya Archeologisch Park

Photo:Gunawan Kartapranata CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Rond de 2e eeuw n.Chr. landden de eerste Indiase kooplieden op Java, Sumatra en Sulawesi. Uit oude geschriften is duidelijk geworden dat Indiase geschiedschrijvers al ca. 600 v.Chr. melding maakten van Java. De invloed van deze Indiërs reikte ver, maar vooral de heersende klasse nam veel van deze mensen over, met name het hindoeïsme. Ook de vele leenwoorden die in de huidige Indonesische taal terug te vinden zijn, vormen een duidelijk bewijs van de sterke Indiase invloeden. In de 5e eeuw ontwikkelden zich op Java brahmaanse sekten die de hindoe-god Shiva vereerden.

In de 7e eeuw kwam het Sriwijaya-koninkrijk sterk opzetten in het zuiden van Sumatra, het handelsimperium dat Malakka en Sumatra en de scheepvaart van India naar China beheerste. Op Java, met name aan de kust, bloeiden rijke en machtige hindoe-Javaanse staten op, o.a. Kediri, Sailendra (boeddhistische bergvorsten) en Papajaran.

Het boeddhisme is ook als wijzigende factor in deze ontwikkeling niet te verwaarlozen: het kende geen rasvooroordelen en spreidde een sterke missionaire activiteit ten toon. De aanhangers van hindoeïsme en boeddhisme leefden overigens vreedzaam naast elkaar.

Tegen het einde van de 10e eeuw streden Java en Sumatra om de opperheerschappij. Door de veroveringen van Airlangga (tot 1042) werd een machtsevenwicht in de archipel bereikt: Java beheerste het oosten, Sumatra het westen. Sriwijaya was langzamerhand verzwakt, mede door een overval van de Zuid-Indische Cholas op Malakka en Sumatra. Het machtsevenwicht bleef tot de 13de eeuw bestaan.

Het Majapahit-tijdperk, de Gouden eeuw van Indonesië

Majahapit Cultuur Indonesie

Photo:Gunkarta Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

In de 14e eeuw was Majapahit-rijk de belangrijkste staat van Indonesië, en was tevens het laatste Javaans-hindoeïstische koninkrijk. In de 15e en 16e eeuw zetten islamitische kooplieden voet aan wal en troffen met name op Sumatra en Java goed georganiseerde koninkrijken aan; op Borneo was dat veel minder het geval en op Sulawesi was dat nauwelijks het geval. Hoe sterk de invloed vanuit India is geweest blijkt wel uit het Indiase schrift dat op veel plaatsen gebruikt werd tot in de 20e eeuw.

Arabieren waren trouwens al in de 4e eeuw naar Indonesië gekomen om handel te drijven. In de 14e eeuw werden de activiteiten van de Arabische handelaren aanzienlijk uitgebreid richting Indonesië. Onvermijdelijk deed ook de islam geleidelijk zijn intrede op de eilandengroep, allereerst vanuit het noorden van Sumatra en daarna over Java. Over het algemeen kan men zeggen dat de islam het meeste succes had in die gebieden waar het hindoeïsme het minste de voet aan de grond gekregen had. Eind 15e eeuw werden de eerste twee belangrijke steden volledig islamitisch, Demak en Cirebon op Java.

Nog wat later was er van het hindoeïstische Majapahit-rijk niets meer over en vervangen door zo’n twintig islamitische koninkrijken die verspreid lagen over de hele archipel. Vaak bekeerden hindoeïstische prinsen tot de islam uit geldelijk gewin en de bevolking volgde dat voorbeeld zonder veel problemen. Zo had de islam in die tijd op allerlei gebied een grote invloed op de ontwikkeling van Indonesië.

De Portugese periode

Indonesie Padrão 1522

Photo:Hadiyana at the indonesian language wikipedia CC 3.0 Unported no changes made

De Portugese periode duurde niet erg lang, vanaf ongeveer 1511 (verovering van Malakka) tot ongeveer 1662. Zij waren het echter die de Europese beschaving en cultuur naar Indonesië brachten, o.a. het rooms-katholicisme en de Portugese taal, die in de 16e eeuw de handelstaal of ‘lingua franca’ van de archipel was. Opmerkelijk was wel dat de Portugezen zich volledig op de handel richten en op de verbreiding van het christendom, en niet zozeer op het veroveren van gebieden. Toch hadden zij niet zoveel invloed op de grote internationale handelswegen zoals later de Hollanders.

In 1570 vermoordden de Portugezen een sultan, om zo meer gunsten te krijgen van zijn opvolger. Het volk pikte dit echter niet en verjaagde de Portugezen van het eiland Ternate. Later zou blijken dat dit het begin van het einde was van de superioriteit van de Portugezen in Indonesië.

De grote invloed van de Portugezen uitte zich onder andere in de taal, de muziek, de invoer van tabak en het ontwerpen en bouwen van schepen.

In het begin van de 16de eeuw ontstond er tevens een nieuw islamitisch rijk in Aceh (Atjeh).

Indonesië onder de VOC en als kolonie van Nederland

Jan Pietersz.Coen

Photo:Publiek domein

Met de komst van de Hollanders in 1596 begon er een nieuw en ingrijpend hoofdstuk in de geschiedenis van Indonesië, een hoofdstuk dat meer dan drie eeuwen zou duren. Om de handel in dit gebied meer structuur te geven werd in 1602 de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht, die na enkele jaren de volledige controle over het eilandenrijk had. De Hollanders stelden een Indische regering aan onder een gouverneur-generaal en in 1619 maakte Jan Pieterszoon Coen van Jacatra de hoofdstad Batavia. Ook wist hij de Engelsen buiten de archipel te houden. In de achttiende eeuw werd langzamerhand de macht van de VOC steeds minder en wereldwijd overgenomen door de Engelsen. In 1798 werden alle bezittingen en lasten van de VOC door de staat overgenomen. De eens zo machtige VOC hield in december 1799 op te bestaan en op dat moment begon staatsrechtelijk gezien de koloniale periode van Nederlands Oost-Indië.

Om zich tegen andere Europese grootmachten te beschermen werden er overal op strategische plaatsen gefortificeerde ‘factorijen’ of handelsposten gesticht. Vanaf 1808 werd het gezag van de Hollanders versterkt onder gouverneur-generaal Daendels. Op een gegeven moment werden de Nederlanders ook steeds meer betrokken bij de interne aangelegenheden van de verschillende Indonesische staten. In 1830 werd het beruchte cultuurstelsel ingevoerd, waarbij bijna geheel Java in feite een door de staat bestuurd werkkamp werd. De boeren werden gedwongen om specifieke gewassen te verbouwen, met onder andere als gevolg een grote hongersnood in 1849-1850 in de rijststreek Cirebon.

De Engelsen waren vanaf begin 17e eeuw de grote concurrenten voor de VOC. Ondanks afspraken tussen de Engelse en Hollandse handelsmaatschappijen, botsten de verschillende partijen regelmatig op elkaar. Van 1811-1816 werd Java bezet door een Engels expeditieleger, en de ‘kraton’ van de sultan in Yogyakarta werd bestormd en verwoest. Stamford Raffles, afgezant van de Engelse Oost-Indische Compagnie en stichter van Singapore, werd tot gouverneur benoemd. In 1816 werden de meeste gebieden aan de Nederlanders teruggegeven (volgens de Londense Conventie van 1814), en in 1824 trokken de Engelsen zich volledig terug uit Indonesië.

VOC Munt

Photo:The Portable Antiquities Scheme/ The Trustees of the British Museum CC 2.0 Generic no changes made

Het Nederlandse koloniale bewind was gebaseerd op een raciale kastenstructuur en werd bestuurd via een uitgekiend ambtenarensysteem. Met slecht enkele tienduizenden ambtenaren werd het immense eilandenrijk voor die tijd efficiënt bestuurd.

Onvermijdelijk in een situatie van onderdrukking door een ander volk is de opkomst van nationalistische gevoelens. De eerste nationalisten waren aristocraten en intellectuelen, onder leiding van de zoon van een Javaanse sultan, Diponegoro. Na een incident werd er in 1825 een heilige guerrillaoorlog (1825-1830; Java-oorlog) ontketend waarbij ca. 15.000 Nederlanders en 250.000 Indonesiërs omkwamen. De meest Indonesiërs kwamen trouwens om door besmettelijke ziektes. Na de grondwetsherziening van 1848 in Nederland werd in 1854 het stelsel van gedwongen cultures weer afgeschaft.

Begin 1873 begon de Atjeh-oorlog, een chronische guerrilla-oorlog als gevolg van de plannen van de Nederlanders om het onafhankelijke Atjeh te annexeren. Pas in 1898, toen Van Heutz en Snouck Hurgronje werden benoemd tot respectievelijk militair gouverneur en adviseur voor Inlandse en Arabische Zaken, werd een begin gemaakt met de effectieve, vaak bloedige, bezetting van geheel Atjeh. Tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werden er regelmatig aanslagen op Nederlanders gepleegd.

In 1905 werd het machtige Rusland verslagen door het kleine Japan en dat was goed nieuws voor de nationalisten. Toch was Nederland rond die tijd al bezig met de zogenaamde ‘ethische politiek’, met als doel het belang van de inheemse bevolking en haar opvoeding tot zelfstandigheid te bevorderen, vooral door beter onderwijs. Indonesië kwam echter in 1911 nog volledig in handen van de Nederlanders, hoewel ze meteen daarna alweer hun grip op het land begonnen te verliezen. Om dit tegen te gaan werden begaafde Indonesiërs naar Nederland gestuurd om een hoge opleiding te volgen. Het werkte echter averechts want deze nieuwe intellectuelen werden later de felste nationalisten en maakten de Nederlanders in feite overbodig. Gedurende de periode van de Eerste Wereldoorlog ontstonden er veel nationalistische organisaties, met name onder de Javaanse bevolking. In 1927 werd de Partai Nasionalis Indonesia (PNI) opgericht die openlijk onafhankelijkheid (‘Merdeka’) nastreefde en geïnspireerd werd door de Indiër Mahatma Gandhi.

Deze partij werd geleid door Soekarno, die zich door zijn optreden al snel tot een grote politieke persoonlijkheid ontwikkelde. Eerder waren in 1908 al opgericht de Boedi Oetomo (‘Het schone streven’), en in 1912 de Sarekat Islam, een massabeweging op islamitische grondslag.

Door de wereldwijde economische crisis kwamen de Nederlanders en de Indonesiërs steeds meer tegenover elkaar te staan. De exploitatie van alle bodemschatten in Indonesië werd verhoogd en politieke concessies werden allemaal teruggedraaid.

Een zeer gewelddadig politieapparaat hield de Indonesiërs in toom en nationalistische leiders als Soekarno, Hatta en Sjahrir werden gearresteerd. Verder werden alle politieke partijen verboden en dit alles leidde natuurlijk tot een toenemende anti-Nederlandse stemming. De instelling van een Volksraad in 1918 was niet meer dan een nep-volksvertegenwoordiging. Zo werd in 1938 de Soetjardo-petitie afgewezen, die ertoe had moeten leiden dat Indonesië langs de weg van geleidelijkheid een zelfstandige plaats binnen het rijksverband zou krijgen.

Tweede Wereldoorlog

Indonesie Japanse bezetting

Photo:Tropenmuseum CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

In januari 1942 trokken Japanse troepen Borneo en Sulawesi binnen, gevolgd door een grote aanval op Sumatra. Op 27 februari werd Java veroverd, op 1 maart werd Batavia ingenomen en op 9 maart capituleerde het Nederlandse leger. De Nederlanders werden geïnterneerd in kampen, waar velen om het leven kwamen (naar schatting 13% van de 90.000 burgers en 23% van de 37.000 krijgsgevangenen), o.a. tal van gevangenen die aan de Birma-Siamspoorweg moesten werken.

De Japanners beloofden de Indonesische nationalisten en orthodoxe moslims op den duur onafhankelijkheid, maar al snel werd duidelijk dat het de bedoeling was om Indonesië definitief in het Japanse keizerrijk op te nemen, politiek en economisch was het geheel ondergeschikt aan Japan. De methoden die de Japanners gebruikten om dit te bereiken bleken uiteindelijk nog wreder dan onder de Nederlanders het geval was. Intussen verslechterde de economische situatie, vooral op het platteland, snel. Zo kwamen de grote landbouwondernemingen stil te liggen en de toestand werd nog verergerd door de vordering van rijst voor de Japanse troepen en het ronselen van arbeidskrachten, de ‘romusha's’.

Belangrijk voor de nationalisten was dat Sukarno door de Japanners werd aangesteld als gouverneur en daardoor de mogelijkheid kreeg om de Indonesische bevolking op een slimme manier te ontwikkelen. Zo werd de taal het Bahasa Indonesia, een groot symbool van nationale identiteit en werd de door de Japanners opgericht gewapende landstorm na de oorlog omgevormd tot een revolutionaire militie, die tegen de Nederlanders vocht.

Toen de Japanners dan ook de eerste verliezen leden, kwam de macht steeds meer in handen van de Indonesiërs te liggen.

Indonesië wordt onafhankelijk

Indonesie Politionele Acties

Photo:Daan Noske/ Anefo in het publieke domein

Op 15 augustus gaf Japan zich over aan de geallieerden en twee dagen later riepen Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid uit en was de Republik Indonesia een feit. De teruggekeerde Nederlanders probeerden meteen hun bewind te herstellen, maar stuitten op zeer heftige tegenstand, vooral op Java en Sumatra. De Nederlanders hadden in eerste instantie meer last van bendes jongeren dan van het reguliere leger. Internationaal kregen de Indonesiërs aanvankelijk weinig steun in hun strijd tegen de Nederlanders.

Op 21 juli 1947 begon Nederland zijn eerste politionele actie, die door toedoen van de Verenigde Naties op 5 augustus werd gestaakt. Binnen de republiek gistte het tussen allerlei groeperingen, wat uiteindelijk resulteerde in een opstand tegen de pro-Nederlandse regering, geleid door de communistische partij PKI.

In 1948 kwam er een ultraconservatieve regering in Nederland aan de macht, die besloot om in december van dat jaar Yogyakarta te bombarderen en te bezetten door Nederlandse parachutisten. Deze tweede politionele actie mislukte echter volkomen. Soekarno en veel leden van zijn revolutionaire kabinet werden gevangen genomen, maar de Nederlanders ondervonden zeer veel tegenstand van de republikeinse Indonesiërs. De term ‘merdeka’, wat vrijheid betekent, lag in die tijd op ieders lip.

Nadat de wereldopinie en ook de Verenigde Naties zich steeds meer achter de Indonesiërs opstelden was het snel gedaan met de Nederlandse bezetting van Indonesië. In 1948 besloot het Amerikaanse Congres om de Marshall-steun op te schorten en op 27 december 1949 droeg Nederland de soevereiniteit over aan een vrij en onafhankelijk Indonesië. Aanvankelijk werden Nederland en Indonesië nog in een unie geperst, die echter al op 17 augustus opgeheven werd. Alleen in de Zuid-Molukken, waar in april 1950 een onafhankelijke republiek was uitgeroepen, werd tegen deze ontwikkeling gewapend verzet geboden, vooral door voormalige KNIL-militairen.

Na de onafhankelijkheid

Sukarno Indonesie

Photo:Publiek domein

Op 16 december 1949 werd Sukarno door het Huis van Afgevaardigden en de Senaat gekozen tot president van de nieuwe federale staat Indonesië. In september 1950 trad Indonesië toe als lidstaat van de Verenigde Naties. Het leger, de PKI en Soekarno werden de voornaamste machtscentra. In deze constellatie van groeiend nationalisme en voortschrijdende inflatie zegde Indonesië in 1956 wegens het Nieuw-Guinea-geschil de Unie met Nederland op.

De beginjaren van de jonge staat waren echter verre van gemakkelijk. Kabinetten kwamen en gingen in snel tempo en in 1955 waren er 169 politieke partijen die in de slag gingen voor 257 zetels in het parlement. Sukarno zag het met lede ogen aan en besloot in te grijpen. Hij koos voor de zogenaamde ‘geleide democratie’ en installeerde een Nationale Raad, die bestond uit door hem zelf gekozen leden. Ook de traditionele ‘mufakat’ werd ingevoerd, wat betekende besluitvorming door overeenstemming. Politieke partijen en wetgevende instantie werden in dit systeem buitenspel gezet en zelfs ontbonden. Ook kwam er een einde aan de persvrijheid.

Dit alles werd vanuit Java aan de aan de andere eilanden opgelegd , waardoor deze zich verwaarloosd voelden en uiteindelijk in opstand kwamen. In februari 1959 brak er een opstand uit op Sumatra en Noord-Celebes. Geeist werd meer zelfbeschikkingsrecht door de moslim-georiënteerde eilanden. De opstand werd binnen enkele maanden door troepen van Soekarno neergeslagen.

In 1962 wilde Soekarno eindelijk West-Nieuw-Guinea innemen en ook de Verenigde Staten oefende sterke druk uit op Nederland om het eiland op te geven. In datzelfde jaar droeg Nederland het grondgebied over aan de Verenigde Naties, die het op haar beurt in 1963 overdroeg aan Indonesië. Men eiste wel dat er binnen vijf jaar vrije verkiezingen moesten worden uitgeschreven. In 1969 kwamen alle partijen overeen dat West-Nieuw-Guinea zou integreren met de Republiek Indonesië.

Eind jaren vijftig was Indonesië steeds meer verworden tot een dictatuur en begin jaren zestig stapte het land uit de Verenigde Naties en werd fel anti-westers en militant. Soekarno stelde Indonesië op een lijn met het eveneens anti-imperialistische China. Soekarno was zo handig geweest om alle verschillende bevolkingsgroepen en ideologieën samen te smeden tot een geheel. Zelfverheerlijking was daarbij niet vreemd en dat uitte zich in de aanleg van prestigieuze stadions en andere bouwwerken, en beeldhouwwerken die sterk deden denken aan de Sovjet-stijl. Aan de andere kant steeg de inflatie gigantisch, liep de nationale schuld steil omhoog en lagen verschillende groeperingen als militairen, moslims en communisten klaar om de fakkel over te nemen, desnoods via een staatsgreep. Er vormde zich ook een scherpe tegenstelling tussen de militaire top en de Indonesische Communistische Partij (PKI).

Staatsgreep

Indonesie Begrafenis Generaals

Photo:Publiek domein

In de nacht van 30 september 1965 werden er zes generaals ontvoerd en vermoord. Soeharto, een tot dan toe onbekende generaal, zette een reserve-eenheid, de KOSTRAD, in om de ‘communistische samenzweerders’ een lesje te leren. Uiteindelijk liep deze situatie uit op een politiek bloedbad waarbij ca. een half miljoen mensen in koelen bloede vermoord werden. Op dat moment werd de communistische partij ontbonden en nam het leger de touwtjes in handen.

President werd in 1967 Soeharto, die zijn machtsbasis vond in het leger. Indonesië kreeg van alle kanten financiële hulp, vooral van Nederland en de Verenigde Staten. Hierdoor werd het land economisch steeds afhankelijker van het Westen. Binnenlands was het volk zeer ontevreden over de corruptie en de ontwikkeling van de economie en het Soeharto-bewind probeerde met sterk repressieve maatregelen de orde te handhaven. In 1969 sloot Westelijk-Nieuw-Guinea zich definitief aan bij Indonesië en verder vond er een politieke reorganisatie plaats, in die zin dat een aantal groeperingen fuseerden, en als Sekber Golkar verder ging. Deze partij werd sterk gesteund door de overheid en won dan ook ruimschoots de algemene verkiezingen van 1971.

In 1975 verlieten de Portugese troepen Oost-Timor en probeerde de bevrijdingsbeweging FRETILIN de macht overnemen. Soeharto greep echter hard in en op 17 juli werd Oost-Timor eenzijdig, onder protest van de Verenigde Naties, als 27e provincie bij Indonesië ingelijfd.

De verkiezingen van 1982 en 1987 werden weer gewonnen door de Golkar-partij, ondanks ontevredenheid en sociale onrust onder de bevolking.

In 1984 kwamen een aantal islamitische groeperingen in opstand tegen de inperking van hun vrijheden. Er vielen achttien doden, gevolgd door bomaanslagen op Chinese bedrijven en banken.

In de loop van 1990 werd bekend dat de regering een politiek van ‘openheid’ wilde gaan voeren. Dit uitte zich in meer persvrijheid en een toenadering van Soeharto tot de islam. Opmerkelijk was ook dat in 1991 het leger tientallen demonstranten doodde, en dat Soeharto het leger verantwoordelijk stelde. De jaren 1991 en 1992 stonden ook in het teken van spanningen in Atjeh, met als gevolg duizenden doden. In maart 1993 werd Soeharto voor de zes achtereenvolgende keer tot president gekozen. Hij moest wel generaal Soetrino, de kandidaat van het leger, als vice-president accepteren.

Halverwege de jaren negentig groeide de economie fors, maar de kloof tussen arm en rijk werd steeds groter. Dit had grote sociale spanningen tot gevolg, die nog versterkt werd door een oplopend werkloosheidscijfer en vele corruptieschandalen.

In 1996 werden enkele nieuwe oppositiepartijen verboden en de leider van de Democratische Partij, Megawati Soekarnoputri, ten val gebracht. De algemene verkiezingen van mei 1997 werden weer gewonnen door de Golkar-partij, ondanks en golf van politiek geweld. Alleen de islamitische PPP wist haar aanhang te vergroten en behaalde 23% van de stemmen.

De val van Soeharto

Suharto Indonesie

Photo:Publiek domein

In maart 1998 werd Soeharto voor de zevende maal tot president herkozen, waarbij hij zijn dochter en een aantal vertrouwelingen op cruciale posten benoemde, ondanks toenemende protesten tegen deze gang van zaken. Ook de economische crisis waarin het land verkeerde, de prijsstijgingen en misoogsten zorgden van een zeer gespannen sfeer. Demonstraties van studenten die ijverden voor hervormingen en het aftreden van Soeharto eisten, werden steeds massaler en ontvingen de steun van verschillende groepen uit het leger en de samenleving. Amien Rais, de leider van de islamitische partij Muhammadiyah, liet zich hierbij nadrukkelijk gelden, terwijl Megawati Soekarnoputri, de leidster van de PDI, rustig afwachtte.

Begin mei 1998 ontstonden in diverse steden hevige rellen, en vooral etnische Chinezen moesten het ontgelden; zo'n honderd Chinese vrouwen werden verkracht en in totaal vielen er 1200 doden.

Op 18 mei riep de voorzitter van het Volkscongres en de Golkar de president op om af te treden. Soeharto probeerde nog een nationaal comité in te stellen, maar de belangrijke religieuze leiders en veel ministers weigerden hierin zitting te nemen. In het nauw gedreven besloot waarop Soeharto toen om terug te treden. Vice-president Habibie werd daarna beëdigd als president en in het nieuw samengestelde kabinet verdwenen iedereen die tot de clan van Soeharto behoorde.

Periode Habibie

Habibie Indonesie

Photo:Publiek domein

Het IMF bleek vertrouwen in Habibie te hebben steunde Indonesië met 42 miljard dollar in maandelijkse tranches van 1 miljard. Hierop herstelde de koers van de roepia zich.

Onder het nieuwe bewind ontstond er een grotere mate van persvrijheid, waardoor wandaden van het leger in Oost-Timor, Atjeh en Irian Jaya bekend werden. Ook de corruptie en de zelfverrijking van Soeharto werden breeduit in de openbaarheid gebracht, maar toch bleven studenten om vergaande hervormingen eisen. Niet alleen Soeharto zou zich moeten verantwoorden volgens de studenten, maar ook het Volkscongres dat immers nog door Soeharto was benoemd. Tegen de studenten werd hard opgetreden en alleen al in Jakarta vielen veertien doden.

Na het verdwijnen van Soeharto bleef het toch nog onrustig in Indonesië. Begin 1999 braken ernstige onlusten uit in de Molukken en op Borneo, waarbij honderden slachtoffers vielen.

In januari 1999 kondigde president Habibie tegen de zin van de militairen een referendum over de toekomst van Oost-Timor aan. Het Oost-Timorese verzet ging hiermee akkoord omdat het dacht dat de bevolking voor onafhankelijkheid zou kiezen. Met name krachten in het leger wilden Oost-Timor niet loslaten, en rekruteerden milities die de bevolking moesten intimideren zodat ze voor autonomie binnen Indonesië zou kiezen. Toch koos een grote meerderheid van 78,5% voor onafhankelijkheid. Toen de uitslag op 4 september bekend werd gemaakt, gingen de milities met hulp van het leger over tot de tactiek van de verschroeide aarde, waardoor ca. 200.000 mensen voornamelijk naar West-Timor werden verdreven. Hierop zette Verenigde Naties het land zo onder druk dat de Indonesische regering de komst van VN-militairen toeliet. De gevangen leider van het Oost-Timorese verzet, Gusmao, werd in september vrijgelaten en keerde begin november 1999 terug naar Oost-Timor dat voorlopig onder toezicht van de VN bleef.

Periode Wahid

Wahid Indonesie

Photo:Publiek domein

Begin juni 1999 vonden verkiezingen plaats. Megawati's hervormingsgezinde PDI-P werd de grootste partij, maar behaalde op grond van nieuwe kieswetten te weinig zetels (153) om een presidentschap af te kunnen dwingen. Habibie's Golkar werd tweede maar kreeg dankzij dezelfde regels meer zetels (120) in het nieuwe parlement. Twee andere hervormingsgezinde partijen, Abdurrahman Wahids PKB en Amien Rais' PAN, behaalden respectievelijk 11% en een teleurstellende 7% van de zetels.

Er ontstond een scherpe tegenstelling tussen het kamp van Megawati enerzijds en dat van Habibie's Golkar gesteund door enkele islamitische partijen anderzijds. Teneinde deze polarisatie te doorbreken werd de bijna blinde Abdurrahman Wahid (door het volk Gus Dur genoemd) door Amien Rais als derde kandidaat voor het presidentschap naar voren geschoven. Het leger steunde dit voorstel waarop Wahid tot president werd verkozen en Megawati op aandringen van Wahid tot vice-president gekozen.

Wahids’ korte regeringsperiode werd verder gekenmerkt door voortdurende ruzies tussen de verschillende politieke facties, een teruglopende economie en bloedige etnische conflicten, met name in Atjeh, Irian Jaya en op de Molukken. Toen hij ook nog beschuldigd werd van incompetentie en corruptie, was het snel gebeurd met Wahid.

Periode Megawati

Mehawati Indonesie

Photo:Publiek domein

Op 23 juli 2001 werd hij door het parlement weggestemd en opgevolgd door vice-president Megawati, de dochter van ex-president Soekarno. Hamzah Haz werd tot vice-president gekozen.

Ook onder het bewind van Megawati braken er regelmatig bloedige etnische en religieuze conflicten uit. Tegen acties van afscheidingsbewegingen in Atjeh en Irian Jaya werd door het leger hard opgetreden. Er vielen duizenden doden, maar Megawati wilde persé het Indonesië van haar vader bij elkaar houden.

Begin 2002 verkeerde de economie van Indonesië nog steeds in een crisis en nam de armoede nog steeds toe. Op 12 oktober van dat jaar werd Indonesië getroffen door een zeer gewelddadige extremistische aanslag op Bali. Honderden doden, waaronder veel Australiërs, waren het gevolg.

Periode Yudhonyo

Indonesie Susilo Bambang Yudhoyono

Photo:World Economic Forum CCAttribution-Share Alike 2.0 Generic no changes made

Begin oktober 2004 werd Susilo Bambang Yudhoyono officieel uitgeroepen tot winnaar van de presidentsverkiezingen. De voormalige generaal versloeg bij de eerste directe verkiezingen van het staatshoofd in Indonesië de zittende president Megawati Soekarnoputri. Yudhoyono kreeg 60,6% van de stemmen; Megawati kwam niet verder dan 39,4%.

Op tweede kerstdag in 2004 werden veel landen in het zuiden van Azië getroffen door een enorme natuurramp, waaronder Indonesië.

Er deed zich een zeebeving voor die een kracht van 9,0 op de schaal van Richter had. Het epicentrum van de beving lag voor de westkust van Sumatra, ter hoogte van de provincie Atjeh, die zeer zwaar getroffen werd.

De beving veroorzaakte een muur van water die over de kust van Sumatra sloeg. De golven van deze zogenaamde tsunami bereikten op sommige plaatsen een hoogte van tien meter. In totaal vielen er meer dan 140.000 doden, waaronder alleen al meer dan 95.000 op Sumatra.

In december 2006 worden de eerste directe verkiezingen gehouden in Atjeh na het vredesakkoord met de rebellen. Voormalig rebellenleider Irwandi Yusuf wordt de nieuwe gouverneur. Voormalig president Souharto overlijdt in januari 2008. In juli 2008 verschijnt het eindrapport van de waarheidsvindingcommissie van Indonesië en Oost-Timor, waarin Indonesië gevraag wordt zijn verontschuldigingen aan te bieden voor de gewelddadigheden bij de strijd om de onafhankelijkheid van Oost-Timor. President Yudhoyono spreekt zijn diepe spijt uit maar echte verontschuldigingen blijven achterwege.

Bij de parlementsverkiezingen van mei 2009 wint de partij van Yudhoyono stemmen, in juli 2009 wint hij ook de presidentsverkiezingen. De moslimgeestelijke Abu Bakar Bashir is in augustus 2010 opgepakt. Bashir staat bekend als de leider van de terreurgroep Jemaah Islamiah, die banden heeft met al-Qaida en achter de aanslagen op Bali in 2002 zat. Daarbij kwamen ruim 200 mensen om het leven, voornamelijk toeristen uit Australië. In 2011 biedt de Nederlandse regering excuses aan vanwege de slachting in Rawagade tijdens de onafhankelijkheidsoorlog. In 2013 worden de excuses herhaald in meer algemene zin. Bij de verkiezingen van april 2014 worden de PDI-P en Golkar de grootste partijen.

Joko Widodo ontmoet Vlaimir Putin

Photo:kremlin.ru Creative Commons Attribution 4.0 International no changes made

In juli 2014 zijn de presidentsverkiezingen gepland. De strijd gaat tussen Joko Widodo, de gouverneur van Jakarta en ex-generaal Prabowo Subianto. Op 22 juli verklaart de kiesraad dat Joko Widodo de nieuwe president is geworden.

In 2015 worden een aantal Europeanen en Australiërs geëxecuteerd vanwege drugsmisdaden, dit leidt tot protesten en zelfs terugroepen van ambassadeurs. In 2016 krijgt ook Indonesië te maken met aanslagen door Islamitische Staat. In december 2016 stemt Nederland ermee in een onderzoek in te stellen naar de beëindiging van de koloniale overheersing in Indonesië in de jaren 1940. Nederlandse troepen worden verdacht van het doden van tienduizenden mensen tijdens de onafhankelijkheidsoorlog.

In mei 2017 wordt de Christelijke gouverneur van Jakarta, Basuki Tjahaja Purnama tot 2 jaar veroordeeld vanwege vermeende blasfemie.

Bevolking

samenstelling

Antropologen verdelen de Indonesische bevolking in drie hoofdgroepen. De Balinezen, Madoerezen, de Maleiers van Sumatra en de Boeginezen en Massakarezen van Sulawesi behoren allen tot de deutero-Maleise volken. Ze hebben in het algemeen een tengere lichaamsbouw, een koperkleurige huid en vrij uitgesproken Mongoloïde gelaatstrekken.

De Dajaks van Kalimantan, de Toradja’s en Toalans van Sulawesi, waaronder ook de Konjo’s, en de Bataks van Sumatra worden aangeduid als proto-Maleise volken. Hun huid is doorgaans lichter en hun gelaatstrekken zijn minder Mongools.

De Austronesische bevolkingsgroepen van de oostelijke eilanden zijn daarentegen juist weer donkerder en hebben een zwaardere lichaamsbouw.

Indonesiërs

photo: Rachmat04, Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

In het eilandenrijk Indonesië leven meer zo’n 300 duidelijk te onderscheiden etnische groepen, elk met een eigen identiteit. Er zijn enorme fysieke verschillen tussen de mensen in de verschillende delen van de archipel, voor wat betreft pigmentatie, haartype, gestalte en gelaatskenmerken. Deze etnografische verscheidenheid kan worden verklaard door de opeenvolgende migratiegolven vanaf het vasteland van Azië en misschien zelfs uit Afrika. De diverse groepen arriveerden in een reeks massale migratiegolven, met tussenpozen van meerdere eeuwen. Hoe dit alles in zijn werk heeft gegaan is nog steeds niet goed duidelijk. Een andere, meer waarschijnlijke verklaring is, dat kleine groepen uit Azië langzaam het Indonesische gebied binnenkwamen en zich, over een periode van duizenden jaren, met de oorspronkelijke Australoïde bevolking vermengden, en deze uiteindelijk grotendeels vervangen hebben.

De overgrote meerderheid van de bevolking behoort tot het Maleise ras. Er zijn duidelijke, vnl. culturele verschillen tussen enerzijds bijv. Batak, Dajaks en Toradja's en anderzijds Javanen, de grootste groep, Sundanezen, Madurezen, Maleiers in engere zin, Minangkabauers, Atjeeërs, Buginezen en Baliërs. In Irian Jaya en omliggende eilanden wonen de tot de Melanesische groep behorende Papoea's. Volken die kenmerken vertonen van zowel de Maleiers als de Melanesiërs vindt men op Maluku en op Nusa Tenggara, m.n. op Timor. Er zijn enkele kleine, geïsoleerd levende, tot het Europese hoofdras behorende groepen, zoals de Koeboes op Sumatra en de Mentawaiers.

Minangkabau huwelijk

photo: Mamasamala, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported, no changes made

De Chinezen, van wie er meer dan 5 miljoen zijn, vormen veruit de belangrijkste etnische subgroep in de Indonesische samenleving. De Chinezen wonen veelal in de havensteden en in de grotere plaatsen op Java, Sumatra en Kalimantan. Ze domineren de handel en behoren tot de kapitaalkrachtigen van Indonesië. Het economische succes van de Chinezen maakt de verhouding met de overige Indonesiërs er niet gemakkelijker op.

Korte beschrijving van de bevolking op de grote eilanden.

SUMATRA

Het grootste deel van de bevolking van Sumatra woont in de lange keten van de golvende heuvels aan de voet van de ‘Bukit Barisan’ en langs rivieren en meren in het hoogland. Dit is het woongebied van twee grote inheemse volken, de Minangkabauers en de Batakkers. Verder leven hier nog een aantal kleinere etnische groepen, zoals de Atjeeërs, Gayo’s, Alas, Kubu, Kerinci, Rejang, Mentawei, Enggano en Lampung.

De hooglanden vormen dus het woongebied van de meer dan drie miljoen leden van de zes belangrijkste Batakstammen, de Toba, Karo, Pakpak, Simalungun, Angkola en Mandailing. Ze hebben ieder weer hun eigen dialect, gewoonten en bouwstijl. De Batakkers zijn meer dan 1500 jaar geleden naar Sumatra getrokken vanuit de voorgebergten van de Himalaya in het noorden van Myanmar en Thailand.

Nakomelingen van het Batak-volk in traditionele kledij

photo: Angeline Claudia, CC Attribution-Share Alike 4.0 International, no changes made

Onder de noordelijke Batakkers zijn nog steeds animisten, onder de zuidelijke Batakkers islamieten, met name de Mandailing. Vele Batakkers zijn door Duitse en Nederlandse missionarissen tot het christendom bekeerd.

De Minangkabauers leven vooral in West-Sumatra en zijn verwant aan de Maleiers van de oostkust van Sumatra. Er zijn op dit moment zo’n zeven miljoen Minangkabauers, drie miljoen in West-Sumatra en vier miljoen verspreid in grote steden door heel Indonesië. De Minangkabauers hebben, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Batakkers, van oudsher een hoge graad van geletterdheid en grote bestuurskwaliteiten. Daardoor hebben ze altijd een belangrijke rol gespeeld in de politieke, economische en wetenschappelijke ontwikkeling van Indonesië. Veel bekende Indonesische leiders en schrijvers zijn dan ook afkomstig van West-Sumatra.

JAVA

De Javanen zelf vormen ongeveer tweederde van de totale bevolking en bewonen de vruchtbare vlaktes van Midden- en Oost-Java, alsmede een groot deel van de noordkust. In de hoger gelegen delen van West-Java bestaat de bevolking hoofdzakelijk uit islamitische Soendanezen, op het eiland Madoera en de tegenoverliggende delen van Oost-Java wonen veel Madoerezen. De Soendanezen zijn qua uiterlijk niet te onderscheiden van de Javanen van Midden- en Oost-Java. In het uiterste westen leven de Badui en in het uiterste oosten de Tenggerezen. In de grote havensteden langs de noordkust hebben zich veel Arabieren, Chinezen en Europeanen gevestigd.

Javanen

photo: Gunkarta, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported, no changes made

De Soendanezen hebben een geheel eigen cultuur, met de complexe gamelan- en angklung-muziek, de populaire jaipongan-dansen en de levendige wayang golek-voorstellingen.

De steile hellingen van de actieve vulkanen Gunung Semeru en Gunung Bromo worden al eeuwenlang bewoond door het volk van de hindoeïstische Tenggerezen. De Tenggerezen, waarvan er naar schatting nog 40.000 over zijn, raken in de verdrukking door de gestaag toegenomen vetsiging van Madoerezen en Midden-Javanen.

De Baduy behoren tot de zogenaamde Mandala-gemeenschap, die zich baseert op een Oudjavaans geloof met hindoe-boeddhistische trekken

BALI

De grootste bevolkingsgroep op Bali wordt gevormd door de Balinezen, die afstammen van de tweede golf volksverhuizers.

Balinese hindoebruiloft in traditionele kledij

photo: Julien Boulin, CC Attribution-Share Alike 2.0 Generic, no changes made

Bali werd al betrekkelijk vroeg bewoond en er ontwikkelde zich een Balinese hindoe-boeddhistische cultuur met een geheel eigen, hoogstaand karakter. Bali heeft de grootste hindoeïstische gemeenschap ter wereld buiten India. Negentig procent van de Balinese bevolking is aanhanger van het Balinees hindoeïsme.

Tot het begin van de 20e eeuw leefden de Balinezen totaal geïsoleerd van de rest van de wereld.

LOMBOK

De bevolking van Lombok bestaat uit islamitische Sasaks, hindoeïstische Balinezen, Chinezen en Arabieren. Ongeveer 10% van de bevolking van Lombok is hindoe en de meeste Lombokkers leven in steden en dorpen op de smalle vlakte in het middenwesten van het eiland.

Bruiloft op Lombok in traditionele kledij

photo: anoldent, Creative Commons Attribution-Share Alike 2.0 Generic no changes made

De grote meerderheid van de bevolking bestaat uit Sasaks, die zelf een onderscheid maken tussen twee min of meer aparte groepen, de Waktu-telu die in de bergen wonen en de Waktu-lima die in het laagland wonen. Het handjevol overgebleven oorspronkelijke bewoners, de Bodha, leeft in het geïsoleerde zuidoosten van het eiland.

NUSA TENGGARA – DE KLEINE SOENDA-EILANDEN

De bewoners van het westelijke deel van Nusa Tenggara hebben Mongoolse kenmerken, die van het oosten neigen meer naar het Melanesische type.

Nusa Tenggara behoort tot de armste en meest onvruchtbare gebieden van Indonesië. De meeste van de ongeveer 10 miljoen inwoners van Nusa Tenggara zijn boeren of vissers.

De mensen van Sumbawa zijn moslims. West-Sumba telt ongeveer 350.000 inwoners, met twee aparte taalgroepen. De mensen wonen hier nog in traditionele paalwoningen en de verering van het land en de voorouders is nog heel levend. Oost-Sumba is droog en rotsachtig en telt ca. 250.000 inwoners die allemaal dezelfde taal spreken.

De Abui-bevolking van Takpala Traditional Village op het eiland Alor, Oost-Nusa Tenggara, Indonesië, behoudt hun traditionele Melanesische gebruiken

photo: David Stanley, Creative CommonsAttribution 2.0 Generic no changes made

Flores is het grootste eiland in het oostelijk deel van Nusa Tenggara. Van de ca. 1,4 miljoen inwoners van Flores is tegenwoordig 90% katholiek, maar gelardeerd met veel traditionele zienswijzen en gewoonten.

In het oosten van Nusa Tenggara ligt een aantal kleinere eilanden, waaronder Solor, Adonara, Lembata, Pantar, Alor, Sawu en Roti. De bewoners van deze eilanden onderhouden al sinds mensenheugenis contacten met elkaar en met de bevolking van de grotere eilanden, en hebben in de loop van eeuwen hoogstaande culturen ontwikkeld.

KALIMANTAN

Kalimantan is de naam van het Indonesische grondgebied dat tweederde van het eiland Borneo beslaat. De eerste mensen van het vasteland van Azië bereikten Borneo omstreeks 3000 v.Chr. Het grootste gedeelte van de bevolking, voornamelijk Chinezen en maleisiërs, leeft in de kustgebieden. In Oost-Kalimantan (‘Kalimantan Timur’ of Kaltim) wonen maar 1,5 miljoen inwoners op een gebied net zo groot als Engeland en Schotland samen. Het merendeel zijn boeren uit het overbevolkte Java.

Centraal-Kalimantan is het woongebied van de Dajaks, de verzamelnaam voor ongeveer 200 verschillende volken die stroomopwaarts van de grote rivieren Kapuas, Barito en Mahakam wonen. De Ngaju vormen de grootste van de in de provincie levende groepen Dajaks. Velen van hen zijn bekeerd door het christelijke geloof, maar tal van anderen hielden vast aan het oude geloof van de Dajaks, dat ‘kaharingan’ genoemd wordt. Bekende andere stammen zijn: Iban, Kenyah, Tunjung, Kayan, Punan en Benuaq.

Dajak feest

photo: Antonsurya12, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

De stamleden van de Penan zijn de oorspronkelijke bewoners van Borneo, die hier zelfs voor de Dajaks leefden. Er zijn nog ca. 10.000 Penen woonachtig in enclaves in het bovenstroomgebied van de Mahakam en de Apo Kayan.

De grote Chinese gemeenschap van West-Kalimantan (‘Kalimantan Barat’ of Kalbar) stamt af van de goudzoekers die hier in het begin van de 19e eeuw naartoe stroomden. De meeste Chinezen bleven in deze streken wonen en trouwden met inheemse vrouwen. Hun nazaten vormen nu een van de grootste Chinese gemeenschappen in Indonesië.

SULAWESI (CELEBES)

Het eiland Sulawesi is het woongebied van de Toradja’s van het hoogland en de zeevarende Boeginezen. De negen miljoen eilandbewoners tonen een grote diversiteit: er worden bijvoorbeeld meer dan 40 verschillende talen gesproken. De centrale ligging van Sulawesi in de Indonesische archipel heeft veel bijgedragen aan de heterogeniteit van de bevolking.

De kustgebieden en het laagland van Zuid-Sulawesi wordt tegenwoordig bewoond door Mongoloïde volken, die gezamenlijk worden aangeduid als ‘Boeginezen’, van oudsher zeevaarders en scheepsbouwers.

Groepsportret met de gezant van Buton op Sulawesi

photo: Tropenmuseum, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

In Zuid-Sulawesi wonen ca. 6 miljoen inwoners en met een gemiddelde van 125 inwoners per km2 is het een van de dichtstbevolkte gebieden van Indonesië.

Tussen de woeste bergtoppen en de vruchtbare hoogvlaktes van het zuidelijk deel van Midden-Sulawesi ligt het woongebied van veel geïsoleerd levend evolken, die een gemeenschappelijke afkomst delen met de zeevarende Boeginezen, Mandarezen en Makassaren. De kustbewoners van Sulawesi noemen deze volken de ‘Toraja’, de ‘volken van het hoogland’. Hun woongebied heet Tanah Toraja of Toradjaland.

De Toradja’s leefden van oudsher in kleine ommuurde nederzettingen op de heuveltoppen. In het begin van de 20e eeuw kregen de Toradja’s van het Nederlandse koloniale bestuur de opdracht te verhuizen van hun heuveltoppen naar de beter toegankelijke en te controleren valleien en laagvlaktes. De Toradja’s danken hun bekendheid aan de grootse en kleurrijke feesten, die worden gehouden om te garanderen dat de ziel van een overledene naar het dodenrijk of ‘puya’ kan overgaan op een manier die overeenkomt met hun status op aarde. In Noord-Sulawesi leven ongeveer 2,3 miljoen mensen, waarvan meer dan 200.000 in de hoofdstad Manado.

De volken van de Minahassers stammen af van de Mongoloïde immigranten die zich hier duizenden jaren geleden vestigden. Hun talen zijn verwant aan de talen die gesproken worden op de Filippijnen. Later hebben zich hier ook grote aantallen Chinezen en Europeanen in dit gebied gevestigd en door huwelijken tussen de groepen is een gemengde bevolking ontstaan.

MOLUKKEN

De Molukken of Maluku is een provincie met duizenden eilanden, die verspreid liggen over een gebied van ongeveer 1,5 miljoen km2.

De grootste etnische groep op de Molukken wordt gevormd door de Ambonezen, die op Ambon, Saparua, Nusa Laut en Seram wonen.

De heidense Naulu vormen een van de weinige overgebleven volken van de Molukken die vasthouden aan hun oude tradities zonder religieuze invloeden van buitenaf.

Mannen in Kota Ambon (Taman Wisata) tonen Zuidoost-Molukse kleding en gebruiken

photo: Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Irian Jaya is de westelijke helft van Nieuw-Guinea, na Groenland het op een na grootste eiland ter wereld. Irian Jaya is de dunst bevolkte provincie van Indonesië. In de meeste streken wonen minder dan zes mensen per km2 en er zijn zelfs gebieden die niet bewoond zijn.

De inheemse Papoea’s worden ingedeeld in de negroïden die in de hoger gelegen gebieden leven en een zeer donkere huis hebben, en in een mengeling van negroïde en Melanesische rassen die aan de kust en de in de lager gelegen heuvelachtige gebieden wonen.

De eerste bewoners van Nieuw-Guinea arriveerden vanuit het westen, waarschijnlijk zo’n 60.000 jaar geleden. Kleine groepen vestigden zich langs de kust en op niet ver landinwaarts gelegen plaatsen. Waarschijnlijk was er op het eiland nauwelijks onderling contact tussen de verschillende groepen, waardoor er het ongelooflijke aantal van ca. 800 talen gesproeken wordt op Nieuw-Guinea, ongeveer 550 in Papoea Nieuw-Guinea en ongeveer 250 in Irian Jaya. Een aantal talen wordt door slechts 2000 mensen gesproken.

Mensen uit Zuid-China en Taiwan arriveerden ook op het eiland, maar het lukte de meerderheid van de Papoea’s zich te verzetten tegen assimilatie met de nieuwkomers, die zich alleen vestigden op enkele nabijgelegen eilanden en kustgebieden van het eiland.

In de vruchtbare Baliem-vallei leven de Dani, de beroemdste stam van het binnenland van Irian Jaya. Ze leefden geheel geïsoleerd tot hun ontdekking in 1938. Nu, na meer dan vijftig jaar contact met de buitenwereld, is de leefstijl wel wat veranderd, maar de mannen dragen nog steeds alleen maar de karakteristieke peniskokers en de vrouwen een rok van gras.

Het land van de Asmat, meesterhoutsnijders uit de moerassen, ligt rond de plaats Agats. De 70.000 leden tellende Asmat-stam is de grootste in deze streek en leeft in ca. 100 dorpen die zich bevinden in een gebied van 27.000 km2. De meeste van de in de moerassen levende Asmats hebben het christelijke geloof aangenomen.

Asmat houtbewerker

photo: Keenan63, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

De andere volkeren in dit gebied worden in twee groepen verdeeld: de volkeren aan de kust en de volkeren in het binnenland. Zij spreken andere dialecten en hebben een andere manier van leven, sociale structuur en ceremoniën. De volkeren aan de kust worden ook in twee groepen verdeeld: de Bisma en de Simai.

Verspreiding en demografische gegevens

In 2017 had Indonesië 260.580.739 inwoners. Daarmee is het land het vierde land op aarde wat inwonertal betreft.

De bevolking van Indonesië is zeer ongelijk over de archipel verspreid: ca. 67% woont op Java (bevolkingsdichtheid: meer dan 800 mensen per km2), Madura en Bali, terwijl de drie eilanden samen maar 7% van de totale oppervlakte beslaan.

In Jakarta, waar in 2017 10.3 miljoen mensen wonen, is de bevolkingsdichtheid rond de 17.000 inwoners per km2. Andere grote steden zijn: Surabaya (2,9 miljoen), Bandung (2,5 miljoen), Medan (2,2 miljoen), Semarang (1,6 miljoen).

Pogingen tot interne emigratie ('transmigratie') naar dunbevolkte gebieden op Sumatra, Kalimantan en Irian Jaya om de druk van de overbevolking op Java te verlichten, hebben weinig succes gehad. Als nevendoelstelling werden de regionale ontwikkeling en de ‘Indonesianisering’ opgevoerd (door de meeste mensen buiten Java beschouwd als ‘Javanisering’). Vanwege de angst de eigen culturele identiteit te verliezen, stuiten de programma’s bij de bevolkingsgroepen op Sumatra, Kalimantan en Irian Jaya op veel, soms gewelddadig verzet. Met name in Irian Jaya loopt de inheemse bevolking steeds meer de kans om een minderheid te worden in eigen land.

Zeer dun bevolkt zijn de provincies Irian Jaya met maar 4 inwoners per km2, en Kalimantan. De dichtstbevolkte provincie buiten Java is Lampung.

Bevolkingsdichtheid Indonesië

image: SEDACMaps, Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

Er bestaat sinds 1968 een Nationaal Instituut voor Family Planning, dat ten doel heeft het jaarlijkse geboorteoverschot terug te dringen. De bevolking nam sinds de jaren tachtig minder sterk toe en het geboortecijfer daalde van 41,5 per 1000 inwoners in 1970 naar 16 in 2017; het sterftecijfer daalde in dezelfde periode van 17,5 naar 6,5. De bevolkingsgroei wordt geschat op 0,86%, (2017). Meer dan 25% van de bevolking is jonger dan 15 jaar; de gemiddelde levensverwachting bedraagt voor vrouwen 75,7 jaar en voor mannen 70,4 jaar. Indonesië heeft dus een zeer jonge bevolking.

Iets minder dan de helft van de bevolking (2017) woont in landelijke gebieden, doorgaans, althans wat Java betreft, in gesloten nederzettingen (dessa, kampong) met een inwonertal dat varieert van vele honderden tot minder dan vijftig. De Chinese minderheid woont voornamelijk in de stedelijke centra.

Taal

Algemeen

De officiële taal in Indonesië is Bahasa Indonesia, handelstalen zijn Engels en in afnemende mate Nederlands. De vele andere talen van de archipel vallen in twee hoofdgroepen uiteen: de Maleis-Polynesische taalfamilie en de ‘niet-Austronesische’ taalfamilie.

De Maleis-Polynesische of Austronesische taalfamilie bestaat uit ongeveer 250 talen, waarbinnen veertig hoofdgroepen te onderscheiden zijn, zoals het Acehs, Maleis, Boeginees, Javaans en Soendanees.

Tot de niet-Austronesische talen behoren onder andere ca. 240 Papoea-talen. Meer dan honderd van deze Papoea-talen hebben minder dan duizend sprekers.

In het huidige Bahasa Indonesia zijn de talen van de vroegere overheersers nog duidelijk aanwijsbaar. Uit het Portugees komen woorden mentega (boter), nona (juffrouw) en sepatu (schoen). Aan het Nederlands zijn onder andere ontleend: mebel (meubel), bangrut (bankroet), karcis (kaartjes), handuk (handdoek), pinter (pienter) en donkrak (dommekracht). Aan het Engels zijn woorden ontleend als bodigar (bodyguard) en suplai (supply).

Leerboeken Bahasa indonesia

photo: Laura Pro, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Het Bahasa Indonesia is een non-tonale taal die vrij eenvoudig te leren is. De taal wordt geschreven in het Romeinse alfabet, woorden worden uitgesproken zoals ze zijn gespeld en de morfologie is eenvoudig. Werkwoorden en zelfstandige naamwoorden worden niet vervoegd.

Het moeilijkste is het gebruik van voor- en achtervoegsels om basiswoorden te veranderen in werkwoorden en zelfstandige naamwoorden. Accenten worden net zo min als in het Nederlands aangegeven. De e aan het eind van de eerste lettergreep is altijd stom of toonloos.

Net als andere talen kent het Indonesisch een voorliefde voor afkortingen, die vaak voor buitenstaanders onbegrijpelijk zijn (b.v. Pukesmas = Pusat Keséhatan Masyarakat).

Van Maleis naar Bahasa Indonesia

De volkeren van Sumatra en het Maleise schiereiland spraken van oorsprong verschillende dialecten van het Maleis. Uit deze dialecten ontwikkelde zich een hoftaal en een eenvoudige variant, die zich vanuit Sumatra over de hele archipel verspreidde en als omgangstaal voor vooral de handelscontacten tussen de verschillende volken diende. De behoefte aan een omgangstaal was groot doordat er in de archipel honderden talen gesproken werden. Dat het Maleis een eenvoudige structuur had kwam goed uit. Via de belangrijke handelscentra aan weerszijden van de Straat van Melaka kon het Maleis, op dat moment een handelstaal of ‘lingua franca’ gemakkelijk verspreid worden. Ook buitenlandse groepen als Arabieren, Chinezen en Europeanen gebruikten deze taal.

Veel Nederlandse migranten gebruikten in de omgang met de inheemse bevolking een nog simpeler variant van het Maleis: het Pasar-Maleis. Journalisten en schrijvers gebruikten het Laag-Maleis, een mengvorm van het simpele Pasar-Maleis en het voor Javanen onbegrijpelijke Klassiek-Maleis, de boekentaal van de vorstenhoven langs de Sumatraanse kust. Schrijvers, die veel in het Laag-Maleis schreven, populariseerden het Laag-Maleis als schrijftaal.

Maleise taal

photo: Kwamikagami at English Wikipedia, CC 3.0 Unported no changes made

De spelling van het Maleis was tot in de 20e eeuw zeer divers, en men had ook niet de behoefte om een norm vast te leggen. De Europeanen daarentegen hadden wel een belang bij standaardisering van het Maleis, maar wisten geen antwoord te geven op de vraag waar het ‘beste’ Maleis gesproken werd. De protestantse zending deed een eerste poging door een bijbelvertaling te maken in het Klassiek-Maleis uit de Riau-archipel. Nederlandse en inheemse ambtenaren gebruikten dit Maleis om met elkaar te communiceren, en het werd dan ook definitief tot het Standaard-Maleis verheven. Belangrijk hierin was de leraar C.H. van Ophuijsen, die aan het begin van de 20e eeuw een ‘Maleische spraakkunst’ en een ‘Maleisch leerboek’ schreef. Het gevolg was wel dat er gekozen werd voor een schrijftaal die dicht bij het Klassiek-Maleis lag en die sterk verschilde van de meeste andere Maleise dialecten en ook van het gepopulariseerde Laag-Maleis.

Javaans is een van de meest gesproken talen ter wereld

photo: Day Translations Team, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Langzamerhand verdrong het Standaard-Maleis van Van Ophuijsen het Javaanse Laag-Maleis in de schrijftaal. In de dagelijkse omgang bleven de Maleis-sprekende Indonesiërs hun eigen dialect gebruiken, waardoor de kloof tussen de schrijf- en de spreektaal groeide.

Op 28 oktober 1928 legden de deelnemers aan het Indonesisch Jeugdcongres de ‘Eed der Jongeren’ af, waarin ze onder anderen beloofden te strijden voor één taal, het Bahasa Indonesia. Die Indonesische taal was het Standaard- Maleis van Van Ophuijsen. Tot de Tweede Wereldoorlog bleef het Nederlands echter een belangrijke concurrent. Zo gebruikten ambtenaren het Maleis in het contact met de bevolking, maar werd er op middelbare scholen in het Nederlands les gegeven. In 1942 verbood de Japanse bezetter het gebruik van het Nederlands, en dat betekende de definitieve doorbraak van het Indonesisch als nationale taal. Het werd de taal van het onderwijs, de ambtenarij, de politiek, de pers en de literatuur.

Om een eenduidige grammatica en uniforme spelling te krijgen werkte Indonesië samen met Maleisië in een taalunie. In 1972 kwamen de twee landen een nieuwe spelling overeen, en veranderde bijvoorbeeld Djakarta in Jakarta, en Atjeh in Aceh.

Op dit moment spreekt maar een minderheid van de bevolking thuis de nationale taal; het blijft de taal van de moderne, vooral stedelijke elite. Een groot gedeelte van de bevolking spreekt helemaal geen Indonesisch en blijft thuis communiceren in de regionale taal of het ‘Bahasa Daerah’.

Het Nederlands werd aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw door hooguit één miljoen Indonesiërs gesproken. Tachtig procent van de bevolking is na 1950 geboren, waardoor het Nederlands in snel tempo uit Indonesië verdwijnt. Tegenover de neergang van het Nederlands staat de opkomst van het Engels, een taal die ook op het middelbaar onderwijs wordt onderwezen.

De naam Indonesië (Indonesia), het eerst gebruikt door de Britse etnoloog G.R. Logan in 1850, is afgeleid van het Latijns. India en Grieks nèsos (= eiland) betekent Indische archipel.

Enkele woorden en uitdrukkingen Bahasa Indonesia

Dank u = terima kasih

Goedemorgen = selamat pagi

Hoe heet u? = siapa nama saudara?

Links = kiri

Rechts = kanan

Trein = kereta api

Vliegtuig = kapal terbang

Winkel = toko

Verkeersbureau = kantor pariwisata

Niet roken = jangan merokok

Zondag = hari minggu

Woensdag = hari rabu

Een = satu

Twee = dua

Drie = tiga

Honderd = seratus

Nacht = malam

Uur = jam

Hoe laat is het? = jam berapa sekarang?

Handtekening = tanda tangan

Godsdienst

ALGEMEEN

Godsdienst is in Indonesië zeer belangrijk. Het geloof in een almachtige god is het eerste van de vijf principes van de Pancasila, de ideologische richtlijn van de Indonesische overheid, en een van de belangrijkste factoren die de eenheid van het volk probeert te bevorderen.

De grondwet garandeert vrijheid van godsdienst, is echter beperkt tot monotheïstische godsdiensten; pantheïsme is alleen toegestaan als er een oppergod is aangewezen. Meer dan waar ook ter wereld zijn de godsdiensten uit andere landen hier geaccepteerd en in overeenstemming gebracht met oeroude, oorspronkelijke animistische tradities.

Religies in Indonesië

afbeelding: Marshmir, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no chnges made

Ca. 90% van de Indonesische bevolking hangt de soennitische richting binnen de islam aan. Dit betekent dat op de Indonesische eilanden de grootste islamitische gemeenschap ter wereld leeft. Desondanks is de islam geen staatsreligie, belijders van de meest uiteenlopende godsdiensten leven over het algemeen vredig naast elkaar. Ongeveer 10% is christelijk (waarvan tweederde protestants en eenderde rooms-katholiek), 5% hangt plaatselijke religies aan. Op Bali overheerst het hindoeïsme.

ISLAM

De belangrijkste godsdienst in Indonesië is de islam, die in de 13e en 14e eeuw na Christus werd geïntroduceerd. Het eerst in Atjeh en later in vrijwel alle kuststreken. Mystici verbreidden de godsdienst aan de hoven van de hindoeïstische vorsten, Arabische en Voorindische specerijhandelaren bij het gewone volk. De islam werd door de hele archipel verbreid door met name de Boeginezen, een volk van zeevaarders en handelaren dat oorspronkelijk afkomstig was uit Zuid-Sulawesi.

Java, waar de meerderheid van de moslims leeft, kent twee groepen. De ‘santri’ is een orthodoxe gemeenschap die volgens de vijf zuilen van de islam leeft. De andere groep, de ‘abangans’, belijdt de zogenaamde Javaanse religie ‘agama java’, een soort hindoeïstisch-Javaans mysticisme, en bevindt zich in Midden- en Oost-Java.

Op Sumatra vindt de orthodoxe islam veel aanhang, met name in de noordelijke provincie Atjeh. In Kalimantan treffen we een mystiek getinte islam onder de Maleiers langs de kusten. Op Sulawesi zijn het de Boeginezen, Makassaren en Gorontalezen die de islam aanhangen.

De Istiqlal moskee van Jakarta telt zes verdiepingen en is de grootste moskee van Zuidoost-Azië en de op een na grootste ter wereld. De gigantische witte koepel is al op een afstand van 15 km waarneembaar en na de ramadan verzamelen zich hier meer dan 200.000 gelovigen. Het was een van de prestigeprojecten van de vroegere president Soekarno.

Istiqlal-moskee, de grootste moskee in Zuidoost-Azië, gelegen in Centraal Jakarta, Indonesië

photo: Gunawan Kartapranata, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

HINDOEÏSME

Het hindoeïsme op Bali (Agama Hindu Dharma of Agama Hindu Bali) is de tweede grote godsdienst in Indonesië. Op Bali wordt deze godsdienst door meer dan 90% van de bevolking beleden.

Deze godsdienst is niet te vergelijken met het hindoeïsme in India of met de oude hindoe-Javaanse godsdienst. Toch vormen deze twee elementen, samen met het boeddhisme de basis van het complexe hindoeïsme op Bali.

De Agama Hindu Dharma, waarin het geloof in één opperwezen centraal staat, baseert zich op vijf principes, de ‘panca srada’:

1. het geloof in ‘Sanghyang Widhi Wasa’, de enige en ene God.

2. het geloof in ‘Atman’, de eeuwige ziel.

3. het geloof in ‘Kharma Pala’, de wet van oorzaak en gevolg.

4. het geloof in ‘Punarbhawa’, of incarnatie.

5. het geloof in ‘Moksha’, de eenwording met de Eeuwige Geest.

Reizend over Bali geven de vele beelden en tempels de indruk dat er veel goden aanbeden en vereerd worden. In werkelijkheid zijn het verschillende verschijningsvormen van de ‘trimurti’, de drie-eenheid: Brahma de schepper, Wisnu de bewaarder en Siwa de vernietiger. Deze drie-eenheid is verenigd in één god: Sang Hyang Tunggal, de ‘Allerhoogste’, die zich op verschillende wijzen manifesteert. De vele goden en godinnen zijn dan ook slechts bepaalde aspecten van de ‘Allerhoogste’ of de ‘Enige’.

Het centrum van het geloof is de ‘pura desa’, waarin Brahmaanse priesters de voornaamste ceremoniën verrichten. Naast deze grote tempels zijn er ook nog vele duizenden andere tempels, waaronder dodentempels, familietempels en huistempeltjes op de woonerven.

Op Bali is er altijd wel ergens een tempelfeest of religieuze ceremonie. Het hoogtepunt van het jaar vormt het grote tempelfeest, de ‘odalan’, dat in elk dorp ter herinnering aan de stichting van de tempel wordt gevierd. Wanneer alle feesten moeten plaatsvinden wordt berekend aan de hand van de Balische kalender, die gebaseerd is op het‘wuku-’ of maanjaar.

De meest ‘spectaculaire’ ceremonie om te zien is de lijkverbranding of ‘ngabèn’. Deze gebeurtenis maakt een vrolijke indruk, en dat komt omdat degene die gecremeerd wordt vaak al maanden of jaren geleden overleden is. Door de verbranding wordt de ziel van de overledene bevrijd en kan de hemel bereikt worden.

De Ngaben-ceremonie is het hindoeïstische begrafenisritueel van Bali

photo:Yohana Afrita, CC Attribution-Share Alike 4.0 International, no changes made

De grootte van de lijktorens is afhankelijk van de kast en de rijkdom van de overledene. De toren stelt de kosmos voor. De basis heeft de vorm van een schildpad, omwonden door twee slangen. Daarboven is een platform gemaakt waar het lichaam op gelegd wordt, en bevindt zich zo tussen hemel en aarde. Voor brahmanen gelden weer andere regels. Zij worden zo snel mogelijk na het overlijden gecremeerd en worden opgebaard in een baar die de vorm heeft van een ‘padmasana’ of lotuszetel.

De verschillen met India zijn opvallend. In India zijn dat eenvoudige plechtigheden, op Bali daarentegen worden ze met veel ceremonieel omgeven.

De Tenggerezen leven rond het Tenggergebergte in Oost-Java. Deze geïsoleerde gemeenschap noemt hun geloof ‘agama buddha’, een mengeling van voorouderverering en hindoe-boeddhistische elementen.

BOEDDHISME

Het zuivere boeddhisme kent in Indonesië maar weinig aanhangers. In Banjar, op Bali, ligt de Brahmawihara Arama, een boeddhistisch klooster en meditatiecentrum dat bewoond wordt door enkele Balische boeddhistische monniken.

Een heropleving van het boeddhisme kende in de jaren dertig van de 20e eeuw een opleving. Toen de Europeanen na de onafhankelijkheid verdwenen, werd het Indonesische boeddhisme een vrijwel exclusief Chinese aangelegenheid.

De Borobudur op Java is een gigantisch boeddhistisch bouwwerk dat met geen andere menselijke creatie te vergelijken is. Voor de bouw waren 56.600 m3 stenen nodig en de Borobudur is daarmee de grootste ‘stoepa’ ter wereld en tevens het grootste historische monument van het zuidelijke halfrond.

In de architectuur van de Borobudur zijn ook Perzische, Babylonische en Griekse invloeden te bespeuren, en heeft daardoor maar weinig gemeen met andere boeddhistische tempels in Zuidoost-Azië.

Borobudur tempel op Midden-Java, Indonesië

photo: Gunawan Kartapranata, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De bouw kwam tot stand dankzij de Vajrayana-sekte van de tantristische school van het boeddhisme. De Saliendra prinsen lieten het tussen 778 en 850 door boeren bouwen. Doordat de Saliendras in 856 ten val werden gebracht, raakte het bouwwerk al snel in verval. Mede als gevolg van de vele vulkanische uitbarstingen heeft het monument honderden jaren onder een laag aarde gelegen. In 1814 werd de Borobudur door een Engelse kolonel ontdekt en in 1855 werd het gebouw weer vrijgelegd. Pas in 1973 werd er een begin gemaakt met de restauratie.

CHRISTENDOM

Ongeveer 8% van de bevolking behoort tot het christendom, dat pas in de 19e eeuw werd verbreid. In 1831 begon het Nederlandsch Zendelingsgenootschap het protestantisme haar missiewerk, in 1846 begon de katholieke kerk. Het christendom is in Indonesië geconcentreerd in gebieden waar de islam om de een of andere reden nooit heeft kunnen doordringen.

De koloniale overheid trad wel regulerend op. Kerkelijke benoemingen behoefden goedkeuring van het civiele gezag, onder andere om de onderlinge rivaliteit van de christelijke kerkgenootschappen in toom te houden en zodoende ‘dubbele zending te voorkomen’. Het meest sprekende voorbeeld is Irian Jaya, waarvan het zuiden aan de katholieke missie toeviel en het noorden aan de protestantse kerkgenootschappen. Ook in andere delen van Indonesië vindt men dit patroon terug.

Katholieke kerk in Sawahlunto, West-Sumatra, Indonesië

photo: WahyuS, Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

Flores, de Zuidoost-Molukken, en West-Kalimantan zijn belangrijke katholieke gebieden. Ambon en omstreken, Sumba, Tana Toraja, Minahasa en de Bataklanden zijn bolwerken van de protestantse kerken. Missie en zending werden buiten streng islamitische streken als Atjeh, Minangkabau, Banten of Jambi gehouden.

CHINESE RELIGIES

De religie van de vele Chinese immigranten is een mengeling van boeddhisme, confucianisme en taoïsme, en wordt de ‘Drie religies’ of ‘Sam Kauw Hwee’ genoemd, een naam die in 1963 in het kader van de Indonesianiseringscampagne werd veranderd in Tri Dharma, een aan het Sanskriet ontleende term. Tri Dharma kan als een Chinese vorm van syncretisme beschouwd worden.

Boeddhisme en confucianisme waren in China vooral een aangelegenheid van de maatschappelijke en religieuze bovenlaag, terwijl het taoïsme de belevingswereld van de gewone mensen beheerste. Omdat de Chinese migranten vooral van eenvoudige boerenkomaf waren, brachten zij dit volksgeloof mee naar de Indonesische archipel. Behalve in huistempels worden de goden en voorouders ook in grotere Chinese tempels of ‘klenteng’ vereerd. In de kuststreken van West-Kalimantan en Noord-Java is de aanhang het grootst.

Klenteng Jin De Yuan, Glodok, Jakarta

photo: Gunawan Kartapranata, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

TRADITIONELE RELIGIES

De betekenis van traditionele religies is ondanks het geringe aantal officiële aanhangers niet te verwaarlozen. Veel Indonesiërs blijven waarde hechten aan elementen uit het oude volksgeloof, ook nadat ze tot een van de ‘grote’ religies zijn toegetreden. Tussen de oorspronkelijke godsdiensten bestaan grote verschillen, ze hebben allemaal een eigen historische ontwikkeling doorgemaakt.

Een Balinese sjamaan bereidt een offer aan de goden voor

photo:Franz-Josef Alayon Monsanto, CC 4.0 International no changes made

Een gemeenschappelijk element is het animisme, het geloof dat de natuur en door de mens gemaakte voorwerpen bezield kunnen zijn. Vooral oude bomen, bergen, grotten en bronnen zijn volgens het volksgeloof geliefde woonplaatsen van de geesten. Soms gaat het om echte natuurgeesten, maar een godheid of de geesten van overledenen kunnen daar ook huizen.

Het geloof in een bezielde natuur gaat binnen de meeste oorspronkelijke Indonesische religies hand in hand met voorouderverering, een ander gemeenschappelijk element. Algemeen heerst de overtuiging dat geesten van overleden mensen invloed op het aardse bestaan uitoefenen. De ziel van een overledene moet daarom met veel zorg worden omgeven. Tijdens rituelen zorgen sjamanen voor het contact tussen de gewone mensen en de wereld van de geesten. Deze en andere rituelen vormen het cement van een traditionele samenleving.

Samenleving

Staatsinrichting

Indonesië vormde bij het begon van zijn onafhankelijkheid een federatie, maar deze staatsvorm werd al snel omgezet in een eenheidsstaat, de ‘Republik Indonesia’.

De grondwet van 1945 werd in 1949 vervangen door een federale grondwet. In 1950 maakte deze federale grondwet plaats voor een voorlopige unitaire constitutie, waarna in 1959 de grondwet van 1945 weer van kracht werd en men over ging op het systeem van de ‘geleide democratie’. De basis van deze grondwet is de door president Soekarno ingestelde officiële staatsfilosofie Pantjasila, die vijf grondbeginselen van de Indonesische eenheidsstaat omvat: het geloof in één God, een eenheidsstaat, menselijkheid, sociale rechtvaardigheid en ‘een democratie geleid door de wijsheid van overleg (mushawara) en vertegenwoordiging.

Indonesië is een republiek met een presidentieel stelsel, waarbij de uitvoerende macht berust bij de president en bij de ministers. De ministers worden door de president benoemd en zijn alleen aan hem verantwoording schuldig. De president en de vice-president worden voor vijf jaar gekozen, vanaf 2004 via directe verkiezingen, en zijn daarna weer herkiesbaar (president Soeharto heeft bijvoorbeeld vijf volle termijnen geregeerd). Hij of zij beschikt over het vetorecht inzake wetsvoorstellen (‘Keputusan Presiden’) en heeft verder grote volmachten, met name omdat hij de noodtoestand in het hele land kan uitroepen en tevens opperbevelhebber van het leger is.

Vergaderzaal parlement van Indonesië

photo: The Official CTBTO Photostream, CC Attribution 2.0 Generic no changes made

De wetgevende macht berust bij het 500 leden tellende parlement (Dewan Perwakilan Rakyat of DPR). Van deze parlementsleden worden er 400 direct door het volk worden gekozen en 100 worden door de president benoemd. Na 2004 zullen deze benoemde zetels voor politie en militairen opgeheven worden.

Het hoogste orgaan is het gekozen Raadgevend Volkscongres (Malejis Permusyawaratan Rakyat), dat sinds 1999 uit 700 leden bestaat en is samengesteld uit de leden van het parlement en uit vertegenwoordigers van regionale en beroepsgroepen; het komt ten minste eens in de vijf jaar bijeen, stelt de politieke richtlijnen vast en kiest de president. Na 2004 zal de raad alleen nog bestaan uit leden van het Huis van Volksvertegenwoordigers en de Regionale Vertegenwoordigers Council, die in de algemene verkiezingen van 2004 zullen worden gekozen. De verwachting is dan dat er door de MPR vakere vergaderd zal worden en een actievere rol zal gaan spelen bij het economische en politieke beleid van de regering. Voor de actuele politieke situatie zie hoofdstuk geschiedenis.

Administratieve indeling

Het land is verdeeld in 24 provincies (propinsi) en drie zogenaamde bijzondere gebieden (daerah's): Jakarta Raya, Yogyakarta en Aceh (Atjeh). Deze drie gebieden hebben allen een speciale vorm van bestuur hebben. De voormalige provincie Oost-Timor verklaarde zich in 1999 onafhankelijk.

De provincies worden bestuurd door gouverneurs (‘gubernur’) die door de president benoemd worden en aan hem of haar verantwoording verschuldigd zijn. De gouverneur heeft een zekere speelruimte op het gebied van onderwijs, religie en ‘adat’ of gewoonterecht.

Elke provincie is in districten (‘kabupaten’ met aan het hoofd een ‘bupati’ of regent)) of gemeenten (‘kotamadya’ die worden bestuurd door een ‘walikota’ of burgemeester). Er zijn meer dan 300 districten en 55 gemeenten. De districten en gemeenten zijn weer onderverdeeld in meer dan 3000 subdistricten (‘kecamatan’ met een ‘camat’ aan het hoofd)), die elk een aantal dorpen (‘desa’) en ‘keluharan’ omvatten. Een desa wordt bestuurd door een ‘kepala desa’, een keluharan door een ‘lurah’.

Provincies Indonesië

afbeelding: Golbez, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

provinciehoofdstadinwonersoppervlakte
BaliDenpasar3.300.0005.633 km2
BengkuluBengkulu1.600.00019.789 km2
Irian JayaJavapura2.300.000421.981 km2
JambiJambi2.500.00053.436 km2
Jawa BaratBandung45.000.00043.177 km2
Jawa TengahSemarang32.000.00032.549 km2
Jawa TimurSurabaya35.000.00047.923 km2
Kalimantan BaratPontianak4.500.000146.807 km2
Kalimantan SelatanBaniarmasin3.000.00036.535 km2
Kalimantan TengahPalangkarava1.900.000153.564 km2
Kalimantan TimurSamarinda2.500.000210.985 km2
LampungTanjungkarang7.000.00035.385 km2
MalukuAmbon2.000.00077.781 km2
Nusa Tenggara BaratMataram4.200.00020.153 km2
Nusa Tenggara TimurKupang4.000.00047.349 km2
RiauPekanbaru5.100.00094.561 km2
Sulawesi SelatanUjungpandang8.200.00072.781 km2
Sulawesi TengahPalu2.500.00069.726 km2
Sulawesi TenggaraKendari2.000.00027.686 km2
Sulawesi UtaraManado3.000.00019.023 km2
Sumatera BaratPadang4.500.00042.898 km2
Sumatera SelatanPalembang8.000.000109.254 km2
Sumatera UtaraMedan12.000.00071.680 km2
Bijzondere gebiedenhoofdstadinwonersoppervlakte
AcehBanda Aceh4.000.00055.390 km2
JakartaJakarta8.500.000664 km2
YogyakartaYogyakarta3.200.0003.186 km2

Onderwijs

Het Indonesische onderwijsstelsel is vrij eenvoudig van opzet. Belangrijk is dat de Japanse bezetter een einde maakte aan het naast elkaar bestaan van uiteenlopende schooltypen voor verschillende etnische groepen. In plaats daarvan werd de zesklassige basisschool ingevoerd.

De basisschool (‘sekolah dasar’) vormt nog steeds de basis van het Indonesische onderwijsstelsel. Het basisonderwijs is in principe verplicht, vrij toegankelijk en gratis. In 1987 werd de leerplicht ingevoerd voor alle kinderen tussen 7 en 12 jaar. In 1989 ging 98% van de leerplichtige kinderen naar het basisonderwijs. In 1998 werd het basisonderwijs gevolgd door ca. 75% van de kinderen. In stedelijke gebieden lag dit percentage op bijna 90% en op het platteland op bijna 65%. In 1968 was het gemiddelde nog maar 41%.

middelbare scholieren in pramuka (Indonesisch scout) uniform

photo: Adien Gunarta, CC CC0 1.0 Universal Public Domain Dedication no changes made

Daarna volgen er scholen voor het driejarig lager voortgezet onderwijs ( ‘sekolah lanjutan tahap pertama’) en driejarig hoger voortgezet onderwijs (‘sekolah lanjutan tahap atas’). De meeste kinderen die naar de middelbare school gaan, bezoeken de algemeen vormende lagere middelbare school (‘sekolah menengab pertama’), te vergelijken met de vroegere Nederlandse MAVO. Leerlingen die nog verder willen leren, kunnen terecht bij de voortgezette middelbare school (‘sekolah menengab atas’). Een minpunt in het Indonesische onderwijsstelsel is het geringe aantal lagere scholen voor beroepsonderwijs. Binnen het voortgezet middelbaar onderwijs bestaat wat meer variatie. In 2000 volgde gemiddeld meer dan de helft van de kinderen middelbaar onderwijs (1968 13%).

Indonesië heeft voor het hoger onderwijs een zeer divers aanbod, dat wel geconcentreerd is op Java. Er zijn veel beroeps- en technische opleidingen, lerarenopleidingen en universiteiten. Er zijn op dit moment 76 staatsuniversiteiten en bijna 1600 particuliere universiteiten en hogescholen. De kwaliteit van veel particuliere universiteiten is echter niet best. Goede particuliere universiteiten zijn de protestants-christelijke Satya Wacana Universiteit in Salatiga en de katholieke Parahyangan Universiteit in Bandung. In 1968 volgde slechts 1,6% van de jongeren een of andere vorm van hoger onderwijs. In 2003 bedroeg dit percentage rond de 10% of bijna 3 miljoen studenten.

Logo Satya Wacana Universiteit

afbeelding: Universitas Kristen Satya Wacana, CC4.0 International no changes made

Gezondheidszorg

De gezondheidszorg in Indonesië is de laatste decennia behoorlijk verbeterd, maar nog steeds niet op een adequaat niveau. Zo waren er in 1999 maar 0,6 bedden op duizend inwoners en niet meer dan 0,2 artsen per duizend inwoners.

De vooruitgang is vooral te zien in de gedaalde kindersterfte en de hogere gemiddelde levensverwachting. De kindersterfte daalde van 89,5 per duizend levend geborenen naar 38 in 2002. De gemiddelde levensverwachting liep vanaf 1967 op van 46 jaar naar 69 jaar in 2003, 66,5 jaar voor mannen en 71,5 jaar voor vrouwen.

Awal Bros ziekenhuis in Batam, Indonesië

photo: Masgatotkaca, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Veel aandacht is besteed aan het uitbouwen van de ziekenhuiscapaciteit op het platteland. Het aantal openbare gezondheidscentra steeg vanaf begin jaren zeventig van 1250 naar meer dan 7000. Eerste hulpposten en mobiele gezondheidscentra zijn er nu bijna 30.000. Verder wordt zeer de nadruk gelegd op preventie en aan het verbeteren van voeding en drinkwater.

Typisch Indonesisch

GAMELANMUZIEK

In de muziekwereld wordt de gamelan als een van de hoogst ontwikkelde muzikale kunstvormen ter wereld beschouwd. Gamelanorkesten zorgen vaak voor de muzikale begeleiding van dans- en theatervoorstellingen.

De naam gamelan is afgeleid van ‘gamel’, een Oud-Javaans woord voor handgreep of hamer, omdat de meeste instrumenten van een gamelanorkest slaginstrumenten zijn. De Indonesische term ‘karawitan’ is de verzamelnaam voor zowel de Javaanse als de Balinese gamelanmuziek. Een gamelanorkest kan bestaan uit vijf tot veertig instrumenten, waaronder ‘rebab’ (tweesnarige luit), ‘suling’ (bamboefluit), ‘kendhang’ (houten trommel), ‘bonang’, ‘gender’ en ‘gambang’ (xylofoon).

Een gamelanspeler die op de bonang speelt

photo: Gunawan Kartapranata, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Bronzen, koperen en ijzeren slaginstrumenten dateren al van de prehistorie, wanneer het eerste gamelanorkest is ontstaan, is niet duidelijk. Het hart van de gamelanmuziek wordt gevormd door de grote bronzen gongs, die tot op kilometers afstand te horen zijn.

Sinds de 19e eeuw komen er ook, vooral vrouwelijke (‘pesinden’), zangpartijen voor in de gamelan. De teksten van de gezangen zijn in een archaïsche of literaire taal geschreven en daardoor zelfs voor de Indonesiërs moeilijk te begrijpen. Er wordt geen bladmuziek gebruikt, maar de meeste composities of ‘gendhing’ zijn nauwkeurig vastgelegd.

De Balinese gamelanmuziek verschilt sterk van de Javaanse. De Balinese vorm kent schrille tonen en levendige ritmes, de Javaanse vorm daarentegen heeft langzame, afgemeten klanken.

BATIK

Batik (betekend: ‘met was tekenen’) is een uitsparings- en versieringstechniek voor textiel die hoogstwaarschijnlijk uit de hindoe-Javaanse periode stamt, maar pas in de 16e eeuw grote bloei bereikte. Iedere streek heeft zijn eigen motieven, zijn eigen kleurengamma en zijn eigen stijl.

De werkwijze is als volgt: met vloeibare was worden patronen op een witte doek of ‘mori’ aangebracht, waarna de stof ondergedompeld wordt in koude verfbaden. Het weefsel neemt dan de kleur van het bad aan op die plaatsen waar geen was is aangebracht. De stof wordt door en door geverfd en na de bewerking is het patroon zowel aan de voor- als aan de achterkant zichtbaar. De oudste kleuren die gebruikt worden zijn indigoblauw en ‘soga, een bruine kleur, die tot 1700 de meest geliefde hofkleur was. Tegenwoordig zijn deze kleuren niet meer plantaardig maar chemisch samengesteld.

Op Java wordt er nog onderscheid gemaakt tussen ‘batik tulis’ en ‘batik cap’ (spreek uit: tjap). Bij het arbeidsintensieve en daardoor dure batik tulis schrijft men als het ware de was, met behulp van een koperen houder met tuitje of ‘canting’, op de stof. Een enkel kleed kan honderden verschillende patronen dragen. Bij batik cap worden de motieven met een houten of koperen stempel aangebracht. Bij batik cap wordt het patroon steeds herhaald en het is de meest gebruikte methode. De komst van de batik cap blies aan het einde van de 19e eeuw de batikindustrie nieuw leven in. Door de massaproductie kon iedereen zich gebatikte stoffen veroorloven en kwam de export van batik van Java naar de buitengewesten op gang. Batik tulis wordt door vrouwen gedaan, de techniek van de batik cap vereist veel meer kracht, en wordt daarom vooral door mannen gedaan.

Batik tulis wordt gemaakt in Desa Batik Girilayu, Midden-Java

photo: Ardyansa Nugraha, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Tegenwoordig zijn er ook veel machinaal bedrukte batikstoffen (‘batik cetak’) te koop, die massaal door toeristen gekocht worden. Pekalongan op Java staat plaatselijk bekend als Kota Batik ( ‘Batikstad’) en is een belangrijk textielcentrum voor de kleurrijke met de hand vervaardigde batik die voorzien is van streekgebonden patronen. Na Yogyakarta en Solo wordt hier de meeste batik vervaardigd. Pekalongan heeft zelfs een batikmuseum.

Solo is een hoog in aanzien staand centrum van de batikproductie. De batikmotieven in Solonese stijl met hun sombere klassieke kleuren zijn traditioneler en verschillen aanzienlijk van die van Yogyakarta.

Een uitgesproken stijl heeft Cirebon met zijn door Chinese voorbeelden geïnspireerde wolkenmotieven in helder blauw of rood, of de rotstuinen met olifanten en herten van de lusthof Suniaragi. De Sundanese batiks vertonen grote randmotieven van vogels met lange staartveren tussen riet of bamboe, tegen een effen achtergrond. De batik van de noordkust is sterk beïnvloed geweest door de smaak van Chinese en Europese dames.

WAJANG

In engere zin is een wajang (betekent ‘schaduw’ of ‘geest’) een platte of ronde pop, die op Java voor een toneelvoorstelling of een poppenspel wordt gebruikt. In bredere zin wordt onder wajang verstaan al die toneeluitvoeringen waarbij figuren of verhalen uit het wajangrepertoire worden uitgebeeld. Dat kan gebeuren door middel van ongemaskerde acteurs (wajang orang of wajang wong), door middel van menselijke acteurs met maskers op (wajang topèng), met platte buffelleren poppen (wajang kulit) of met ronde houten poppen (wajang golèk). De teksten zijn meestal in het Javaans of Sundanees, soms in het Indonesisch. De liederen worden gezongen in het Kawi of Oud-Javaans.

Wajangpoppen zijn schitterende uitingen van Javaanse kunst. Het zijn geen echte afbeeldingen van mensen, maar schaduwpoppen die de menselijke figuur zo goed mogelijk laten uitkomen in het platte vlak. De grootste pop is soms een meter lang, de kleinste nooit minder dan 23 centimeter.

Wajangvoorstellingen worden gegeven ter gelegenheid of naar aanleiding van ceremoniële en feestelijke aangelegenheden en belangrijke maatschappelijke of huiselijke gebeurtenissen, onder andere om het kwaad af te weren. De filosofie is dat wanneer op het toneel het onheil wordt bezworen, de harmonie in de wereld daarbuiten weer een tijdje is gewaarborgd.

Wajang komt oorspronkelijk alleen voor op Java en Bali, maar is ook daar waar Javanen zich in kolonies hebben gevestigd, zoals in Zuid-Sumatra, Zuid-Borneo en Suriname te vinden. Het schaduwspel met de leren poppen heeft zich verder verbreid naar Noord-Maleisië en Zuid-Thailand. Balinese poppen zijn grover en natuurlijker, en staan dichter bij de oude wajangpoppen. De Javaanse poppen zijn gedurende de laatste twee eeuwen steeds verfijnder geworden.

Op Java is de belangrijkste soort wajang de ‘wajang kulit’, het schimmenspel met platte, uit leer gesneden poppen. Deze vorm put haar materiaal uit het ‘purwa’-toneelrepertoire, dat zijn materiaal weer ontleent aan de twee grote, oorspronkelijk uit Voor-Indië stammende heldendichten Ramayana en Mahabharata. De stof is vaak zo uitgebreid, dat ze is opgedeeld in tientallen episoden die men ‘lakon’ noemt. Iedere lakon is een zelfstandig verhaal en per opvoering wordt één lakon vertoond. Bij een wajang kulit-voorstelling vallen de schaduwen van de poppen op een scherm van wit doek, gespannen in een houten raam. Boven het hoofd van de poppenspeler, de ‘dalang’, hangt een speciale lamp (blèncong), vaak in de vorm van de mythische zonnevogel Garuda. Vroeger was dit een koperen olielamp, nu meestal een elektrische peer. De dalang wordt begeleid door een gamelanorkest. Elke melodie die door het orkest gespeeld wordt, heeft een symbolische betekenis. Een doorsnee-dalang beschikt zeker over zo’n honderd poppen, vaak zelfs veel meer. De dalang is zowel tekstschrijver, producent, belangrijkste verteller, dirigent en regisseur.

Wajang kulit: schaduwpop uit Bali, die Kresna voorstelt, van het Mahabharata-epos

photo: ASITRAC, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Een wajang-voorstelling begint meestal vroeg in de avond en duurt dan tot de volgende ochtend. Een lakon heeft drie bedrijven: van 21.00 uur tot 24.00 uur, van middernacht tot 03.00 uur en van 03.00 uur tot zonsopgang.

In West-Java geniet de ‘wajang golèk’ grote populariteit. Deze vorm wordt gespeeld met ronde, aangeklede stokpoppen, die over draaibare koppen en beweegbare ledematen beschikken. In vergelijking met het schimmenspel uit Midden- en Oost-Java is het mystieke element in de wajang golèk vrijwel afwezig, terwijl de nadruk op de humor ligt. Het repertoire van het wajang golèk –theater werd sterk door de islam beïnvloed. Wajang golèk wordt meestal overdag opgevoerd zodat men de prachtige kleuren goed kan zien.

Rijen van Wayang Golek oppen, de Sundanese houten pop uit West-Java, Indonesië,

photo: Gunawan Kartapranata, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

‘Wajang krucil’ wordt met platte, beschilderde houten poppen gespeeld, en is een soort armeluisuitvoering van het schimmenspel. De poppen zijn kleiner en het gamelanorkest is beperkt tot een paar spelers.

Bij ‘wajang beber’ wordt een heel verhaal op een beschilderde rol uitgebeeld. De dalang draait de met een wajangverhaal beschilderde rol langzaam voor het publiek af, en vertelt daarbij het verhaal.

Bij ‘wajang kelitek’ wordt gebruikgemaakt van platte houten poppen en er komt geen scherm aan te pas. De verhalen zijn op Java ontstaan en spelen zich af in de Oost-Javaanse periode. Ze staan bekend onder de naam Panjicyclus en Damar Wulancyclus.

Ook zijn er nog twee vormen waarbij menselijke acteurs een verhaal uit de Panji-cyclus op. In het geval van ‘wajang topeng’ gebeurt dat door gemaskerde dansers en treedt de dalang op als verteller. Bij ‘wajang orang’, ook wel ‘wajang wong’ genoemd, voeren de dansers wajang purwa verhalen op. De acteurs zijn niet gemaskerd maar alleen geschminkt en declameren of zingen zelf hun tekst.

Een relatief nieuwe vorm is het in Jakarta veel gespeelde ‘wajang karya’, met een groot toneel voor de poppen.

Economie

Algemeen

De economie van Indonesië wordt beheerst door de geografisch ongelijke verdeling van de bevolking en door het productie-consumptiepatroon, waarbij grote economische belangentegenstellingen zijn gegroeid tussen het overbevolkte consumerende Java en de dunbevolkte, deviezen producerende zogenaamde buitengewesten, de buiten-Javaanse eilanden.

De moeilijkheden die met deze situatie samenhangen, zijn nog verscherpt door de politieke spanningen, de nationalisaties van 1957 en volgende jaren, de grote militaire uitgaven, en de vrij kostbare bestuurskosten.

Van 1988 tot medio 1997 maakte Indonesië een sterke economische opleving mee (jaarlijks inkomen per hoofd van de bevolking steeg van 75 dollar in de jaren zestig naar 1000 dollar in de jaren negentig), vooral dankzij een politiek van liberalisatie, die er o.a. op gericht is de afhankelijkheid van de olieopbrengsten te verminderen en een meer gedifferentieerde economie op te bouwen.

Indonesische bankbiljetten

photo: Beeyan, Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Het economisch beleid van de regering bevordert de export van verschillende (verwerkende) industrieën, met name houtproducten. De gunstige resultaten hiervan zijn vooral ook te danken aan de hulp van grote internationale financieringsorganisaties en ontwikkelingshulp.

De exportgerichte verwerkende industrie is op dit moment de motor van de economie, maar ook de buitenlandse investeringen in het land zelf namen toe. De Indonesische economie blijft echter kwetsbaar door de afhankelijkheid van het buitenland, de snelle bevolkingsgroei (werkloosheid), de grote inkomensverschillen en het autoritaire, antidemocratische karakter van het land.

Bij een inflatie van ca. 10% wordt midden jaren negentig een economische groei gerealiseerd van ca. 7% per jaar. Vanaf medio 1997 volgde er een ingrijpende valutacrisis als gevolg van de financieel-economische crisis in Zuidoost-Azië, waardoor de regering zich genoodzaakt zag de hulp in te roepen van het IMF. De koers van de roepia daalde in 1997 met meer dan 70%, de inflatie liep fors op (1998 58%!, 1999 20%, 2000 9,35%, 2001 12,55%) en honderdduizenden Indonesiërs verloren hun baan (1998 15,5%). In de loop van 1998 herstelde de koers van de roepia zich enigszins, maar door de instabiele politieke situatie was van een structureel economische herstel nog steeds geen sprake. Dat jaar kende door alle problemen toch nog een negatieve economische groei van 13,2%. Alleen de landbouw- en nutssector vertoonden nog een positieve groei. De bouwsector kromp in met meer dan 40%, en was daarmee de absolute koploper. Vanaf 1999 ging het weer de goede kant op; in 1999 een groei van 0,22%, in 2000 4,8%, in 2001 3,3%, in 2002 3,66% ondanks de gevolgen van de terroristische aanslag op Bali in oktober.

Ontwikkeling bruto binnenlands product (in triljoenen dollars) van diverse landen, waaronder Indonesië

afbeelding: Asiancentury, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Door de crisis zijn naar schatting 17 miljoen Indonesiërs onder de armoedegrens geraakt. Daarmee steeg het totale aantal mensen onder deze grens tot meer dan 55 miljoen, ofwel meer dan een kwart van de bevolking. Nu de economie weer aantrekt mag weliswaar worden verwacht dat een aantal van deze 17 miljoen mensen weer snel boven de armoedegrens terecht zullen komen, maar voor het merendeel hiervan geldt dat dit proces lang kan duren.

Enige actuele cijfers over de economie van Indonesië zijn dat het groeipercentage van de economie de laatste jaren rond de 5% lag. In 2017 was de economische groei 5,1%. Het BBP per hoofd van de bevolking was $12.400 in 2017, de laatste jaren met een fikse stijging per jaar. 10,9% van de bevolking leeft onder de armoedegrens.

Landbouw; veeteelt; bosbouw; visserij

Bijna 32% van de beroepsbevolking is in de landbouw werkzaam (2017). Van de naar schatting ruim 180.000 km2 cultuurgrond is ca. 72% voor voedingsgewassen en de rest voor handelsgewassen in gebruik. In 2017 kwam 13,7% van het bruto binnenlands product voor rekening van de agrarische sector. Een sterke agrarische sector zal naar verwachting leiden tot een grotere welvaart op het platteland.

De belangrijkste voedingsgewassen zijn rijst, maïs, cassave en bataten, grondnoten, sojabonen, kopra en suiker. De rijstcultuur is de oudste en overheersende cultuur, voor het belangrijkste deel op sawa's, maar ook wel (buiten Java) op droge, jaarlijks wisselende velden (ladangbouw: vorm van landbouw waarbij een gewas geplant wordt in een stuk bos dat eerst platgebrand is). Na de rijstoogst worden zonder bevloeiing vaak tweede gewassen verbouwd. Aangezien de rijstbouw zeer belangrijk is voor de voedselvoorziening en het voor de overheidsfinanciën van even groot belang is onafhankelijk te worden van rijstimport, zijn pogingen ondernomen de voedselproductie te verhogen, die echter aanvankelijk niet tot de verwachte resultaten leidden.

Bergen en rijstvelden of sawa's in Ciwidey, West-Java, Indonesië.

photo: Cocakolam, CC Attribution-Share Alike 4.0 International, no changes made

Inmiddels is het land overwegend zelfvoorzienend. Landbouwhervormingen, gebruik van kunstmest, bestrijding van insectenplagen en ziekten hebben tot kwaliteitsverbetering geleid, evenals de invoering nieuwe variëteiten. Hierdoor werd niet alleen de opbrengst per perceel vermeerderd, maar kon ook twee- tot driemaal per jaar geoogst worden.

Rijst is het hoofdgewas in West-Indonesië vanwege het gunstige klimaat. In Oost-Indonesië vormt maïs het hoofdvoedsel, terwijl sago het belangrijkste voedingsgewas is op de Molukken en Irian Jaya.

De voornaamste handelsgewassen zijn rubber, palmolie, tabak, thee, kopra, koffie (na Brazilië en Colombia de grootste wereldproducent), cacao, peper en andere specerijen. De verbouw vindt hoofdzakelijk plaats op Sumatra en Java, hetzij op grote cultuurondernemingen, hetzij, zoals bij de rubberproductie, door kleine boeren. Indonesië is na Maleisië de grootste wereldproducent van rubber.

De krètèk-sigarettenindustrie heeft de laatste decennia een stormachtige groei doorgemaakt, wat ook weer gunstig was voor de kruidnagelteelt (kruidnagel of cengkèk). Een krètèksigaret bestaat uit tabak, vermengd met grof gemalen kruidnagel. Een groot gedeelte van de productie wordt nog met de hand gedaan. De machinaal gemaakte sigaretten zijn bedoeld voor de buitenlandse markt.

Mand met koffiebonen uit Pagaralam, Zuid-Sumatra, Indonesië

photo: Susansumi, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Tuinbouw wordt voor het grootste deel bedreven op erfcultures, dat wil zeggen op erven rond de huizen: groente, fruit, kruiden en specerijen worden ter plaatse geconsumeerd en maar een klein deel gaat naar de markt.

Speciale tuinbouwbedrijven, voor koolsoorten, bonen en prei in de bergstreken en voor bladgroenten in de lager gelegen gebieden, leveren uitsluitend voor de markt.

De sierteeltsector is nog matig ontwikkeld, maar richt zich op zaailingen, potplanten en westerse en tropische planten.

De ontwikkeling van de veeteelt is in Indonesië achtergebleven bij de rest van de economie, ondanks een stimuleringsbeleid van de overheid. Veehouderij dient vooral voor het houden van trekdieren als runderen, buffels en paarden; voor consumptie zijn bestemd geiten, schapen, kippen en koeien. Die varkens zijn vooral bedoeld voor de export, omdat de overgrote meerderheid van de bevolking uit moslims bestaat.

Bijna twee derde van het land is bedekt met tropisch oerwoud (60% van Sumatra, 77% van Kalimantan en 80% van Irian Jaya), dat vrijwel volledig gecontroleerd wordt door de staat. Er zijn echter ook concessies verleend aan Amerikaanse, Filippijnse en Japanse maatschappijen. Indonesië bezit daarmee na Brazilië het grootste regenwoud ter wereld en is de grootste houtexporteur van Zuidoost-Azië. Gezaagd hout, triplex en fineer wordt vooral uitgevoerd naar Japan, Zuid-Korea, Singapore, Taiwan en Australië.

Planken van de Aleurites moluccana (keriminoot)

photo: Wibowo Djatmiko (Wie146), CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De bossen leveren behalve hout ook harsen en gommen, terpentijn, rotan en kajapoetih-olie. Het uit de sagopalm gewonnen merg is het volksvoedsel op Irian Jaya. Soms breken er als gevolg van droogte en onverantwoorde houtkap, vooral in Sumatra, Kalimantan en Irian Jaya, hardnekkige bosbranden uit.

Visserij is voor de voedselvoorziening in Indonesië zeer belangrijk, hoewel door een gebrek aan vissersboten en kennis bij de vissers slechts een klein deel van het potentieel benut wordt. De visserijsector wordt gedomineerd door zeer kleinschalige visserijbedrijfjes. Visserij vindt plaats met zeilprauwen, al dan niet gemotoriseerd, als wel met séro’s, reusachtige fuiken met bamboestaken.

Vissersboot, Sumatra Indonesië

photo: James Gagen, CC Attribution-Share Alike 2.0 Generic no changes made

Met name langs de kusten van Sulawesi en Kalimantan, in de Riau-archipel en in Maluku leven sommige bevolkingsgroepen vrijwel uitsluitend van de visvangst. In sommige streken van Java wordt vis uitgezet in de natte rijstvelden en verder zijn er, vooral langs de noordkust van Java, aparte vis- en garnalenvijvers; meer dan de helft van de gevangen vis wordt door deze kunstmatige visvijvers geleverd.

De zeevisserij, onder andere de garnaalexport, is door modernisering van de vissersvloot en verbeterde vangsttechnieken in de loop van de jaren tachtig sterk vooruitgegaan.

De belangrijkste producten voor de visserijsector zijn bodemvis, diepzeevis, skipjack, tonijn, inktvis, garnalen, pieterman, Indische inktvis en zeewier. De grootste afnemers zijn Japan en de Verenigde Staten.

Mijnbouw en energievoorziening

Indonesië is na Maleisië de grootste tinproducent ter wereld, de rijkdommen zijn nog nauwelijks onderzocht of in kaart gebracht. Het belangrijkste probleem is de (on)bereikbaarheid van de locaties waar de mineralen en metalen in de grond zitten, vaak dicht beboste of bergachtige gebieden.

Aardolie wordt aangetroffen op Oost- en Zuid-Sumatra, in Oost-Kalimantan en op Oost-Java, maar ook wel off-shore. De exploitatie is deels in handen van particuliere bedrijven, deels in handen van het staatsbedrijf Pertamina.

Indonesië is de grootste aardolieproducent van Zuidoost-Azië en is dan ook nog steeds de belangrijkste inkomstenbron van harde valuta en belastingen.

Aardgas wordt hoofdzakelijk aangetroffen bij de Natuna-eilanden in de Zuid-Chinese Zee en bij Zuid-Sumatra en Oost-Kalimantan.

Tot de overige bodemschatten behoren vooral tin (in 2001 62.000 ton op Bangka, Billiton en Singkep in de Riau-Archipel), bauxiet (Riau-eilanden), nikkel (Zuid-Sulawesi; vrijwel alles wordt geëxploiteerd), steenkool (Zuid- en Midden-Sumatra) en ijzererts (Irian Jaya). Voorts worden goud, zilver en koper gewonnen. Bijna alle exploratie- en exploitatie-activiteiten worden uitgevoerd door buitenlandse mijnbouwmaatschappijen, soms in de vorm van joint ventures met Indonesische bedrijven.

PT Jawa Power, een kolencentrale van 1220 MW in het Paiton-complex, Oost-Java, Indonesië

photo: YTL Power International Berhad, CC 4.0 International no changes made

Meer dan de helft van de totale energievoorziening is afkomstig van met aardolie of gas gestookte centrales. Verder zijn waterkracht, geothermische energie en vooral steenkool belangrijke energiebronnen.

Industrie

De ontwikkeling van de industriële sector is in feite pas vanaf het midden van de jaren zestig opgebloeid. De overheid stak vanaf tijd steeds minder geld in de industriële ontwikkeling, en er werd tegelijkertijd een liberaal investeringsklimaat geschapen voor binnen- en buitenlandse particuliere investeerders.

Veneta System fabriek, Jakarta Indonesië, maakt onder andere toner

photo:Veneta System, CC Attribution-Share Alike 4.0 International, no changes made

De industrie is voor het grootste deel geconcentreerd op Java. Meer dan de helft daarvan bestaat uit kleine en middelgrote bedrijfjes die voor ongeveer de helft gemechaniseerd zijn. Van de grotere bedrijven is ca. 85% gemechaniseerd; in deze sector treft men scheepsbouw, aardolieraffinage, chemische industrie, textiel-, cement-, papier- en kunstmestfabricage aan. Ook zijn er bedrijven ter vervaardiging van elektronische apparatuur, auto's en vliegtuigen.

Het aandeel van de verwerkende industriële productie in het bnp is opgelopen van 8,5% in 1970 tot 41% in 2017.

Een steeds belangrijker aandeel in de binnenlandse industrie wordt opgeëist door fabrikanten van schoenen, elektronica en textiel. Het betreft dan vooral mondiaal opererende bedrijven uit landen als Japan en Zuid-Korea, die profiteren van de lage lonen in Indonesië. Hierdoor heeft de kleding- en textielindustrie zich de afgelopen tien jaar opgewerkt tot de op een na belangrijkste sector voor wat betreft buitenlandse valutaopbrengsten.

Handel

De handelsbalans is sinds 1980 positief (in 2017 teruggelopen tot 18 miljard dollar).

Vanaf midden jaren zeventig van de vorige eeuw werd de Indonesische export gedomineerd door de uitvoer van olie en aardgas. Halverwege de jaren tachtig steeg de uitvoer van deze producten tot meer dan driekwart van de totale Indonesische exportopbrengsten. Daarna kwam er een beleid om de afhankelijkheid van olie en gas te verminderen, en zich meer te richten op de ontwikkeling van de industrie. Al in 1987 nam het aandeel van de export van olie en gas vrij sterk af.

Overzicht exportproducten Indonesië

photo: R. Haussmann, Cesar Hidalgo, et.al. CC Attribution - Share Alike 3.0 Unported

De belangrijkste uitvoerproducten behalve olie en gas zijn traditioneel grondstoffen: rubber, steenkool, tin, tabak, koffie, thee, palmolie en kopra, maar ook triplex, kleding en textiel, schoeisel, hout, vis en garnalen.

De invoer bestaat vooral uit transport- en voedingsmiddelen, chemicaliën en kapitaalgoederen.

Indonesië handelt het meest met China, Japan, de Verenigde Staten en Singapore. Van oudsher speel ook Nederland een rol, die overigens snel kleiner wordt.

Vakantie en bezienswaardigheden

Jakarta, het vroegere Batavia, is de hoofdstad en grootste stad van Indonesië. Het Nationaal Monument staat in het centrum van het Merdeka plein, het centrale park van de stad. Dichtbij het nationale monument is er het Arjuna Wijaya standbeeld en een fontein geïnspireerd door een gedicht van Mahabharata. Andere bezienswaardigheden zijn de Istiqlal-moskee, de kathedraal van Jakarta, en het bevrijdingsmonument.

Arjuna Wijaya strijdwagenstandbeeld en fontein in het centrum van Jakarta

photo: Gunawan Kartapranata, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Toeristische attracties zijn onder andere het Miniatuur Park van Indonesië, de Ragunan dierentuin, de oude stad van Jakarta en het Ancol Dreamland complex bij de baai van Jakarta. De oude stad van Jakarta bevat veel musea, vaak voormalige institutionele gebouwen van het koloniale Batavia. Een aantal van deze musea zijn het Jakarta Historisch Museum ( het voormalig stadhuis van Batavia), het Wayang Museum (een voormalige kerk van Batavia), het Kunst- en Keramiekmuseum (het voormalig gerechtsgebouw van Justitie van Batavia) en het Maritiem Museum (het voormalige Sunda Kelapa magazijn). Verschillende musea liggen in het centrum van Jakarta rond het Merdeka plein.

Museum Sejarah Jakarta (ook bekend als Fatahillah Museum en Batavia Museum

photo: edi wibowo, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported,no changes made

Yogyakarta is de belangrijkste stad in de regio Yogyakarta in Indonesië. Yogyakarta heeft prachtige toeristische bezienswaardigheden die veel toeristen trekken. De kraton ligt in het hart van dehistorische oude stad Yogyakarta en is het paleis van de sultans. De kraton is een kleine ommuurde stad. Het complex dateert uit het midden van de 18e eeuw en heeft zijn eigen markt, winkels, bedrijven, scholen en zelfs een aantal moskeeën. In het centrum van de kraton is het Gouden Paviljoen (Bangsal Kencana). Het paviljoen heeft een prachtig dak met veel details en een aantal grote teak kolommen. Andere interessante zaken zijn onder meer de afzonderlijke ingangen voor mannen en vrouwen. Er spelen regelmatig gamelan orkesten en er zijn schaduw poppenspelen te zien.

Gouden Paviljoen (Bangsal Kencana), Indonesië

photo: Gunawan Kartapranata, CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De Borobudur is verreweg de beroemdste attractie van Indonesië en ligt dicht bij Yogyakarta. De Borobudur is een boeddhistische stoepa en een tempelcomplex in Midden-Java en dateert uit de 8e eeuw. De Borobudur heeft de status van UNESCO Werelderfgoed. Het is het grootste boeddhistische gebouw ter wereld en iedereen zal versteld staan van de schaal van de tempel en de opmerkelijke aandacht voor detail van het bouwwerk. Ook de ligging in het hart van de Kedu vlakte, met machtige actieve vulkanen rondom draagt bij aan het sensationele gevoel dat de meeste bezoekers overweldigd.

Borobudur

photo: Firda diba, CC Attribution-Share Alike 4.0 International no changes made

Klik op de menuknop bovenaan het scherm voor meer informatie

INDONESIE LINKS

Advertenties
• Fox verre reizen van ANWB
• Indonesië Tui Reizen
• Borobudur
• Vakantie Indonesie
• Indonesie Vliegtickets.nl
• Djoser Rondreis Indonesie
• Bezienswaardigheden Indonesië
• Travelworld Indonesie
• Rondreis Indonesie
• Rondreizen Indonesie Sawadee
• Indonesië Hotels
• Jakarta Vliegtickets Tix.nl

Nuttige links

Dieren in Indonesie (N)
Duiken in Sipadan en tour in Borneo in het regenwoud op zoek naar orang oetans, neusapen, olifanten, slangen en ander wildlife (N)
Duiken, reizen, dieren, landschap, info, foto's Flores Indonesië (N)
Duiken, reizen, dieren, landschap, info, foto's Sulawesi Indonesië (N)
Help kansarme kinderen in West-Java (N)
Indonesië Foto's
Indonesië Reisfoto's
Indonesie Reisstart (N+E)
Indonesische Recepten (N+E)
Peduli Anak Hulp aan Straatkinderen
Reisinformatie Indonesië (N)
Reisverhalen en Foto's Indonesië (N)
Reizendoejezo – Indonesië (N)
Rondreis door Indonesië (N)
Rondreis Indonesie (N)
Vakantie Indonesië Jouwpagina (N+E)

Bronnen

Dalton, B. / De Indonesië reisgids

Elmar

Darmawie-van Oijen, J. / Indonesië : handboek voor reizigers

Babylon-De Geus

Homburg, E. / Indonesië

Elmar,

Indonesië

Cambium

Lyle, G. / Indonesia

Chelsea House

Martyr, D. / Indonesië

Van Reemst

Mastenbroek, B. / Kijk op Indonesië

Elsevier

Muller, K. / Indonesië : het 13.000 eilandenrijk

Becht

Oosterman, I. / Indonesië

ANWB Media

Schulte Nordholt, N. / Indonesië : mensen, politiek, economie, cultuur

Koninklijk Instituut voor de Tropen / NOVIB

Te gast in Indonesië

Informatie Verre Reizen

Wassing, R. S. / Indonesië : Java, Bali, Lombok, Sumbawa, Komodo, Flores, Sumba, Timor, Sumatra, Zuid- en Oost-Kalimantan, Sulawesi, Singapore

Gottmer

Witjes, B. / Indonesië

Stichting Teleac

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt April 2021
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems