Landenweb.nl

BELGIE
 

Basisgegevens
  Officiële
  landstaal
  Nederlands, Frans, Duits
  Hoofdstad  Brussel
  Oppervlakte  30.528 km²
  Inwoners  11.554.434
  (mei 2019)
  Munteenheid  euro
  (EUR)
  Tijdsverschil  +0
  Web  .be
  Code.  BEL
  Tel.  +32

Steden BELGIE

Antwerpen Brugge Brussel
Gent

Geografie en Landschap

Geografie

België (Frans: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium) is een federale constitutionele monarchie in Noordwest-Europa. De totale oppervlakte van België is 30.518 km2 en de hoofdstad is Brussel (Frans: Bruxelles).

advertentie

Brussel Grote Markt

Foto:Mats Halldin CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Tot België behoren ca. 30 in de Nederlandse provincie Noord-Brabant gelegen kleine gebieden of exclaves die samen de gemeente Baarle-Hertog vormen. België is iets kleiner dan Nederland (0,9% x Nederland).

België grenst in het westen aan de Noordzee (kustlijn: 66 km), in het noorden aan Nederland (450 km), in het oosten aan Nederland (167 km) en het Groothertogdom Luxemburg (148 km), en in het zuiden aan Frankrijk(620 km).

advertentie

Belgie

foto: Publiek domein

Het Waals Gewest (Frans: Région Wallone) is een deelstaat van België met als hoofdstad Namen (Frans: Namur). Het gewest omvat het grondgebied van de provincies Waals-Brabant, Namen, Luxemburg, Henegouwen en Luik. De totale oppervlakte van het Waals Gewest bedraagt 16.844 km2 en het aantal inwoners ca. 3.315.000. Het gewest heeft een eigen"Waals parlement" en een eigen regering die zetelt in de gewestelijke hoofdstad Namen.

De zeven ministers worden gekozen door het Waals parlement. Uit de regering komt de voorzitter, de minister-president. De regering oefent macht uit middels besluiten en is verantwoording schuldig aan het parlement. De besluiten worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Het Vlaams Gewest is de andere deelstaat van België met als hoofdstad Brussel. Het gewest omvat het grondgebied van de provincies Limburg, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Antwerpen en Vlaams-Brabant. De totale oppervlakte van het Vlaams Gewest bedraagt 13.522 km2 en het aantal inwoners bedraagt ca. 5.900.000. Het Vlaams parlement is de wetgevende assemblée voor zowel gewest- als gemeenschapsaangelegenheden en de Vlaamse regering oefent de uitvoerende macht uit.

De regering is gevestigd te Brussel en telt maximaal elf ministers. Ze wordt gekozen door het Vlaams parlement De regering kiest uit haar leden een voorzitter, de minister-president. De regering oefent de uitvoerende macht uit door middel van besluiten en is als college en ieder van haar leden individueel verantwoording verschuldigd aan het parlement. De besluiten worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Landschap

advertentie

Schelde Belgie

Foto:Spotter2 CC Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

Geografisch kan België onderverdeeld worden in drie streken: Laag-België (tot 100 meter hoogte), Midden-België (van 100 tot 200 meter hoogte) en Hoog-België (van 200 meter tot meer dan 500 meter hoogte).

Laag-België begint in het westen met de kust, een strook van zee, zandstrand en duinen, die zich in en rechte lijn over een afstand van ca. 65 kilometer uitstrekt. Achter de kust liggen de polders, een vlak en zeer vruchtbaar land dat is drooggelegd en door sluizen tegen de sterke getijdenwerking wordt beschermd.

Tussen de westelijke polders en de rivieren de Leie en de Schelde ligt de Vlaamse laagvlakte, een zandstreek met hier en daar wat heuvels. Naar het oosten toe liggen de Kempen, een landschap met vooral dennenbossen, weiland en maïsvelden.

Midden-België ligt achter de Vlaamse laagvlakte en de Kempen en stijgt geleidelijk tot de Samber- en Maasvalleien. Deze lage leemplateaus vormen de vruchtbaarste grond van België. Brabant is sterk verstedelijkt, maar het Zoniënwoud is nog een restant van het vroegere Kolenwoud, dat zich in de Romeinse tijd over een groot deel van het land uitstrekte.

Midden-België omvat verder in het westen Henegouwen en in het oosten Haspengouw. Ook dit zijn vruchtbare streken met uitgestrekte akkers en weilanden.

advertentie

Hoge Venen Belgie

Foto:Jean-Pol GRANDMONT CC 3.0 Unported no changes made

Hoog-België is dunbevolkt en hier vindt men de meeste bossen, te beginnen ten zuiden van de Samber en de Maas met het Condroz-plateau. Deze vruchtbare streek is vooral bekend als toeristische trekpleister met de valleien van de Maas en de Ourthe en de vele monumenten. Tussen de Vesder en de Maas ligt het land van Herve, dat vanwege de rijke, vochtige kleigrond bij uitstek geschikt is voor weilanden en dus voor veeteelt.

Ten zuiden van de Condroz ligt de Fagne- en de Famennestreek; niet zo geschikt voor landbouw, maar meer bekend vanwege de vele grotten. Ten zuiden daarvan liggen de Ardennen, een zeer bosrijk gebied met natuurlijke berkenbossen en aangeplante sparrenbossen, afgewisseld met plateaus en diepe valleien. Sparren doen het hier goed vanwege de zure grond. Hier ligt ook het hoogste punt van België: het Signaal van Botrange met 694 meter.

Het meest zuidelijke deel van België is Belgisch Lotharingen met een milder klimaat dan elders in het land en een zogenaamd cuestalandschap; steile randen die ontstaan zijn door de afwisseling van harde en zachte lagen. Hier zijn op de zuidflanken van de heuvels zelfs wijngaarden aangelegd.

Klimaat en Weer

België kent over het algemeen een gematigd zeeklimaat, maar tussen de verschillende streken vallen behoorlijke verschillen op. Verder kenmerkt het weer zich door een grote wisselvalligheid. De gemiddelde temperatuur bedraagt in geheel België 11,2°C.

advertentie

Belgie Zonsondergang Bourgoyen

Foto:Donar Reiskoffer CC Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

Men kan drie klimaattypes onderscheiden.

Een echt zeeklimaat komt voor aan de kust en een stukje landinwaarts. Het gemiddelde temperatuurverschil tussen de warmst en de koudste maand is hier het kleinst (zomer 16,9°C ; winter 3°C). In Midden-België en de Kempen heerst een zogenaamd gewijzigd zeeklimaat. De afstand tot de matigende invloed van de zee is wat groter en daardoor zijn de gemiddelde temperatuurverschillen wat groter (zomer 14,7°C ; winter 2,5°C).

In het bergachtige gebied ten oosten van de Maas en de Samber heerst een zogenaamd gewijzigd landklimaat. De invloed van de zee is hier het kleinst en de temperatuurverschillen het grootst (zomer 15,5°C ; winter 0,4°C). Door de hogere ligging van het gebied is het 's zomers niet zo warm als in de rest van België.

Juli en augustus zijn gemiddeld de warmste, januari en februari de koudste maanden. De winters in de Hoge Ardennen zijn over het algemeen streng en lang.

De gemiddelde jaarlijkse neerslag schommelt tussen 1400 mm plaatselijk in Hoog-België en ongeveer 800 mm aan de kust en in Midden-België. De grootste hoeveelheden vallen in Laag- en Midden-België in juli en augustus (onweersbuien) en in Hoog-België in november en december. De neerslag in de Ardennen wordt veroorzaakt door stuwingsregens, die ontstaan doordat de stijgende lucht afkoelt, de waterdamp condenseert en vervolgens als regen naar beneden valt. De gemiddelde jaarlijkse neerslag over geheel België bedraagt 852 mm. Het gemiddelde aantal dagen met meetbare neerslag (ten minste 0,1 mm) bedraagt tweehonderd per jaar. Het aantal onweersdagen schommelt jaarlijks tussen 75 en 90. De maximale dikte van de sneeuwlaag neemt gemiddeld toe met de hoogte en varieert van 6 cm aan de kust tot meer dan 30 cm op de Ardense hoogvlakten. Het gemiddelde jaarlijkse aantal uren zonneschijn bedraagt 1392.

Planten en dieren

Planten

Herderstasje Belgie

Foto:Shizoa CCaamsvermelding-Gelijk delen 2.5 Unportedno changes made

België kent ondanks de kleine oppervlakte een behoorlijk rijke en gevarieerde plantenwereld waaronder 1300 soorten vaatplanten, een nog groter aantal wieren, meer dan 5000 soorten zwammen en korstmossen en ongeveer 700 soorten lever- en bladmossen. Met name Atlantische en Midden-Europese plantensoorten leveren zeer vele elementen. Enkele van de meest noordelijke vertegenwoordigers van de submediterrane flora bereiken zelfs België, bijvoorbeeld de spekwortel, het Apennijns zonneroosje, het palmboompje en de wollige sneeuwbal.

Verschillende submontane planten, waaronder grassen als het bergbeemdgras en het boszwenkgras en verder de kransbladsalomonszegel, de witte veldbies en het peperboompje, komen in de hoogste delen van België voor. Onder de soorten vaatplanten komen ca. 400 soorten bijna overal te vinden, o.a. de grote brandnetel, het herderstasje en het straatgras.

De duinen zijn begroeid met o.a. biestarwegras, helmgras en de opvallende duindoorn. De door dijken beschermde zeepolders liggen achter de duinen en zijn praktisch volledig in cultuur gebracht.

De Vlaamse Kempen en Vlaanderen zijn bosachtig. Het grootste deel van de bossen werd hier al vanaf de vroege Middeleeuwen gekapt en in cultuur gebracht. Ook in de Kempen verdween het meeste bos en ging over in heide. Een groot gedeelte van de heide is alweer in cultuur gebracht door de aanplant van o.a. zeeden en grove den.

Belgie Kempen

Foto:Paul Hermans CCNaamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

Het Kempens Plateau is het oostelijke deel van de Kempen en omvat verschillende ondiepe vennen met een gevarieerde plantengroei.

Het Picardische-Brabantse gebied wordt gekenmerkt door veel beukenbossen en is verder bijna geheel cultuurland. In het oostelijke deel van dit gebied liggen enkele eiken-haagbeukenbossen.

Als de bossen geheel ontbreken ontstaan er weiden met o.a. blauwgras, gevinde kortsteel en bergdravik, ook een grassoort.

In de Hoge Ardennen vind men veel beukenbossen en ook de hoogstammige spar komt hier veel voor. Ook hier submontane plantensoorten als kransbladsalomonszegel en bergbeemdgras. De uitgestrekte hoogvenen zijn de vindplaatsen voor veel veenmossoorten, rijsbes en eenarig wollegras.

Het zuidelijk gelegen Lotharingse gebied heeft, dankzij het milde klimaat, verschillende submediterrane plantensoorten. De uitgestrekte bossen bestaan voornamelijk uit beuk, haagbeuk en eik. Moerassige gebieden herbergen verschillende soorten wollegras en zegge.

Dieren

Egel Belgie

Foto:kallern CC Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

Net als in Nederland dreigen ook in België door o.a. de toenemende verstedelijking, de chemische gewassenbestrijding en de vervuiling van het oppervlaktewater een aantal diersoorten te verdwijnen, o.a. wilde kat, otter, aalscholver, roerdomp en zeelt. Lang geleden of nog maar recent zijn wolf, raaf, steur, zalm en tuimelaar verdwenen.

Mol, egel en een aantal spitsmuizensoorten komen in geheel België voor.

Plaatselijk komen nog vrij algemeen voor het konijn, de haas en de eekhoorn, eikel-, rel- en hazelmuizen, ratten-, muizen- en woelmuizensoorten; de hamster vooral in Haspengouw. Van de ca. twintig voorkomende vleermuissoorten zijn een aantal soorten vrij algemeen. Vos, hermelijn en steenmarter zijn zeldzaam, de bunzing algemener. Everzwijn en ree komen vooral voor in Ardennen maar ook in de Kempen. Het edelhert komt alleen voor in de Ardennen.

De vogelfauna telt ca. 350 soorten, maar het zijn niet allemaal stand- of broedvogels; vele soorten zijn slechts doortrekkers of dwaalgasten.

Belgie Hazelworm

Foto:Hedwig Storch CC Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De reptielen en amfibieën zijn niet zo sterk vertegenwoordigd. Hazelworm en enkele hagedissoorten zijn komen vrij algemeen voor, een drietal slangensoorten zijn zeldzamer. Naast een tiental padden- en kikkersoorten komen salamanders overal in het land voor; bepaalde soorten zijn echter vrij strikt geografisch beperkt.

Van de ongeveer 150 vissoorten leven er ca. tweederde in zee en eenderde in zoetwater. De vormenrijkdom van de mariene ongewervelde fauna is beperkt door de eenvormigheid van het kustgebied. Toch komen in de uiterste zuidwesthoek bij De Panne enkele meer zuidelijke schelpen voor, zoals bijv. het"koffieboontje"; op de havenhoofden en vooral op de pier te Zeebrugge o.a. het golfbrekeranemoontje en de zeeanjelier; in de spuikom te Oostende treft men een opmerkelijke vormenrijkdom aan, o.a. van draadwormen, terwijl bijvoorbeeld de zeeduizendpoot en het manteldier Botryllus er buitengewone afmetingen kunnen aannemen. In brakke gebieden komen soorten voor als de steurgarnaal.

In de grotten van de Kalkstreek leeft een bijzondere holenfauna en waar speciaal in Belgisch Lotharingen naar het zuiden gerichte hellingen een gunstig microklimaat vormen, handhaven zich zuidelijker vormen zoals de bidsprinkhaan.

Geschiedenis

Prehistorie

Schedel Prehistorie Belgie

Foto:We El CCNaamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

Archeologische vondsten bewijzen dat al lang voor het agrarische neolithicum, Noordwest-Europa werd bewoond door de zogenaamde Neanderthalers. Vuurstenen werktuigen van jagers en vissers dateren van ca. 500.000 v.Chr. Ook vuursteenindustrieën uit het laat-paleolithicum en skeletten uit het Weichselien zijn op verschillende plaatsen aangetroffen. In het neolithicum (ca. 4000 v.Chr.) verschenen de eerste landbouwdorpen met ongeveer 100 inwoners. Vanaf 3500 tot 2000 v.Chr. leefden o.a. in de Kempen, de Leemstreek en de Maasvallei culturen van het midden-neolithicum.

In de midden-bronstijd van ca. 1500 tot 1100 v.Chr. was o.a. in Vlaanderen en de Kempen onder meer de Famennegroep gevestigd. Aan de hand van verschillende grafvormen worden de verschillende andere groepen onderscheiden. Tijdens de ijzertijd waren de Hallstatt-cultuur (700-500 v.Chr.) en de Keltische La Tène-cultuur de belangrijkste. In deze tijd ontstonden ook enkele versterkte markt- en handelsplaatsen en heuvelforten. Bovendien ontstond er een onderscheid tussen krijgers en de gewone bevolking, waarschijnlijk onder invloed van binnenvallende Kelten.

De Romeinse tijd

Belgie munt van Claudius

Foto:Uploadalt Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De door de Romeinen zo genoemde Keltische Belgae werden van 57 tot 51 v.Chr. door Caesar onderworpen en hun gebied werd ingelijfd als een deel van Gallia.

Onder keizer Augustus werd Belgica (zo genoemd sinds 16-13 v.C.) een administratief zelfstandige provincie van het Romeinse Rijk. Tot in de eerste eeuw was het verzet tegen de Romeinse beschaving groot in de Keltische gewesten. Pas onder keizer Claudius trad de eigenlijke romanisering op, maar tegelijkertijd lukte het wel om de sociale structuren te behouden. De culturele omschakeling werd ook bevorderd door de aanleg van een aantal grote wegen en hulptroepen voor het Romeinse leger, die de onderworpen volkeren moesten leveren.

Verder werden de Romeinse kolonies in Trier en Keulen afzetgebied voor de producten van de Noord-Gallische landbouw en de inheemse ambachten. Er ontstonden zelfs enkele grote landbouwbedrijven (villae) en plaatsen als Tongeren en Doornik kregen een stedelijk karakter. Ook kleinere dorpen en gemeenschappen (vici) bloeiden op en de handel met Italië en de rest van Gallia werd steeds intensiever. Aan de kust, in het westen van België, ontstonden vissersdorpen en zoutwinningsbedrijven. Ook de textielnijverheid kwam sterk opzetten en er werden grote kuddes schapen gehouden voor de wol. Andere economische activiteiten waren houthakken, kolenbranden, ijzer-, zink,- en kalksteenwinning.

Vanaf 256 staken Frankische krijgers de Rijn over en werd geheel Gallia geplunderd en werden vele steden en dorpen verwoest. Rond 280 werden de invallers verdreven, maar een stam, de Saliërs bleef de Belgische gebieden binnenvallen. Uiteindelijk werd er tussen de Romeinen en deze Frankische stam rond 296 een verbond gesloten en werden ze als verdedigers van de rijksgrens tussen Nijmegen en de zee aangesteld.

Vanaf ca. 297 werd Belgica door keizer Diocletianus gesplitst in Belgica Prim in het zuidoosten en Belgica Secunda in het westen. Het in het noordoosten gelegen Germania Inferior was al op het einde van de eerste eeuw van Belgica losgemaakt.

De Merovingische en Karolingische periode

Belgie Karel de Grote

Foto:MyrabellaCreative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

Het gezagsvacuüm dat in Noord-Gallia ontstond werd door de Salische Franken aangegrepen om verder naar het zuiden af te zakken en ze maakten Doornik tot de hoofdstad van hun nieuwe rijk. Een van de belangrijkste families waren de Merovingers met onder meer Chlodovech I, die vanuit Doornik de basis legde van het Frankische rijk. Zijn belangrijkste opvolgers, Chlotarius en Dagobert, brachten verdere eenheid in het Frankische rijk.

In 639 werd het rijk echter verdeeld in Austrasië en Neustrië, waarvan de grens dwars door het huidige België liep. De macht van de koningen nam echter zienderogen af doordat de hofmeiers, de beheerders van de koninklijke goederen, hun machtspositie begonnen te verstevigen. In 719 liet Karel Martel zich uitroepen tot hofmeier van het gehele Frankische rijk, en het lukte hem zelfs nog om het grondgebied uit te breiden. Na de dood van koning Theodorik IV oefende Martel in eigen naam de koninklijke macht uit.

In 751 werd de laatste Merovingische vorst afgezet en vestigde zich de dynastie van de Karolingers. Belangrijkste vorst werd Karel de Grote die in 800 keizer werd van een christelijk Europees eenheidsrijk. Ook de macht en de rijkdom van de rooms-katholieke kerk nam sterk toe. Onder het bewind van Karel de Grote en zijn opvolger Lodewijk de Vrome (814-840) heerste er in dit gebied rust en vrede en bloeide de (landbouw)economie hoog op.

De na-Karolingische periode en de middeleeuwse vorstendommen

Guldensporenslag Belgie

Foto:Publiek domein

Na de dood van Lodewijk de Vrome in 840 verdween de eenheid in het Frankische rijk en door het Verdrag van Verdun in 843 werd het rijk in drieën verdeeld:

Francia Occidentalis of West-Francië, Francia Media of Midden-Francië en Francia Orientalis of Oost-Francië. Het westelijke deel van het huidige België behoorde tot West-Francië, het oostelijke deel tot Midden-Francië en de Schelde vormde de grens tussen beide delen. Het noordelijke deel van Midden-Francië kreeg later de naam Lotharingen en werd in de tweede helft van de 10de eeuw verdeeld in Neder-Lotharingen en Opper-Lotharingen. Het oostelijke deel van het huidige België behoorde tot Neder-Lotharingen.

Vanaf het einde van de negende eeuw verloor de koning in West-Francië (nu: Frankrijk) de absolute macht. De invallen van de Noormannen en het verval van het centrale gezag versterkten dit proces nog. Enkele zogenaamde gouwgraven, in feite ambtelijke bestuurders, zagen hun kans schoon en gingen het gezag in eigen naam uitoefenen. In deze tijd werden dan ook de grondslagen gelegd van het hertogdom Brabant, het graafschap Henegouwen en het graafschap Vlaanderen. Vlaanderen had hierna eeuwenlang af te rekenen met de Franse centralisatiepolitiek, maar wist zijn zelfstandigheid te bewaren. Beroemd in deze tijd werd de Guldensporenslag in 1302.

Andere Lotharingse vorstendommen waren Limburg, Loon, Luxemburg, Namen en Bouillon die vanaf de veertiende eeuw in en groter verband werden opgenomen. Het prinsbisdom Luik bleef tot aan de Franse Revolutie onafhankelijk.

Vanaf ca. 1050 brak voor de achterlijke, agrarische en ontvolkte gewesten die het huidige België vormden, een periode van economische groei aan. Daardoor nam ook de bevolkingsgroei sterk toe en kon men zich ook gaan bezighouden met handel en industrie, wat weer de opkomst van de steden in de hand werkte. Belangrijk werden de lakenindustrie in Vlaanderen, de export van natuursteen en in Luik werd in 1195 de eerste steenkool ontgonnen. De talloze jaarmarkten zorgden voor veel handel, die zelfs buitenlandse kooplieden aantrokken. Kooplieden uit dezelfde stad verenigden zich op een gegeven moment in een"hanze" die zich later weer aaneensloten en steeds machtiger werden. Op deze manier ontstonden de Vlaamse Hanze van Londen die handelde op Engeland en Schotland, en de Hanze der XVII steden, die handelde op Italie.

Vanaf midden veertiende eeuw werd Europa getroffen door een economische depressie en de pest of"zwarte dood" zorgde ervoor dat eenderde van de Europese bevolking uitgeroeid werd. De gewesten van het huidige België hadden gelukkig veel minder te leiden onder de economische depressie. Zo verschenen in Luik de eerste hoogovens, die de ijzerproductie geweldig opschroefden, en bleef Brugge een voorname handelsstad tot eind 15e eeuw.

De Bourgondische periode

Filips de Goede Belgie

Foto:Publiek domein

Na de dood in 1384 van Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, deed het Huis van Bourgondië zijn intrede in de geschiedenis der Nederlanden. De opvolgster van Lodewijk was namelijk Margaretha van Male, die in 1369 getrouwd was met Filips de Stioute, hertog van Bourgondië. Onder diens bewind werden de meeste vorstendommen die het huidige België vormen, opgenomen in de Bourgondische gewesten die later de Zuidelijke Nederlanden werden genoemd.

Zijn kleinzoon Filips de Goede werd in 1430 hertog van Brabant-Limburg en dwong in 1433 Jacoba van Beieren haar graafschappen Holland-Zeeland-Henegouwen af te staan. In 1451 werd Filips tevens hertog van Luxemburg en was hij er in geslaagd om al deze gebieden in een personele unie te verenigen. Zijn zoon en opvolger Karel de Stoute probeerde nog tevergeefs om Elzas-Lotharingen te veroveren om zodoende de Nederlandse gewesten met elkaar te verbinden.

Door het huwelijk van zijn dochter Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk werd vooralsnog voorkomen dat Frankrijk de Nederlanden aanviel en het zorgde er tevens voor dat het Huis Habsburg in de Bourgondische erfenis werd gebracht. Tot 1494 voerde Maximiliaan het regentschap voor zijn zoon Filips de Schone. Filips de Schone zou tevens de laatste vorst zijn die van 1494-1506 een persoonlijk bewind over de Nederlanden zou voeren.

Een aantal centrale instellingen zorgden in de Bourgondische tijd voor het bestuur van de gebieden. De kanselier was de centrale figuur in de regering en tevens voorzitter van de Hofraad. Uit deze Hofraad kwamen een aantal gespecialiseerde instellingen voort: de Grote Raad voor de rechtspraak, de Rekenkamer voor de financiën en de Geheime Raad voor het politieke beleid. In de gewestelijke Staten waren de adel, de geestelijkheid en de steden vertegenwoordigd. In 1464 vond de eerste gezamenlijke vergadering, de Staten-Generaal plaats, die zich vooral bezig hield met politieke problemen. In die tijd ontstonden ook gewestelijke regeringsorganen als de Raad van Vlaanderen, de Raad van Brabant en rekenkamers in Rijssel en Brussel.

De economische geschiedenis onder de Bourgondiërs werd sterk beïnvloed door de politieke gebeurtenissen van die tijd. Zo leed de internationale handel sterk onder de in 1337 begonnen Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Vanaf de vijftiende eeuw verschoof ook het politieke en dus economische zwaartepunt van Vlaanderen naar Brabant. Eind vijftiende eeuw werd Antwerpen de hoofdzetel van de Portugese specerijenhandel in Noordwest-Europa.

Het ontstaan van de Zeventien Provinciën

Karel V Belgie

Foto:Publiek domein

Sinds de dood van Filips de Schone in 1506 waren de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden een vast bestanddeel van het erfgoed van de Habsburgers en werden de koningen en keizers van Habsburg vertegenwoordigd door landvoogden, waaronder de bekende Margaretha van Oostenrijk. Zij kreeg al snel problemen met de Staten-Generaal, maar vanaf 1517 kreeg zij het bewind over de Nederlanden weer strak in handen.

In dat jaar vertrok Karel van Luxemburg, later Karel V, naar Spanje en droeg het bestuur over aan de Grote Raad, waarin ook Margaretha zitting had. Karel V slaagde erin om een einde te maken aan het leenheerschap van Frankrijk over Vlaanderen, Artesië en Doornik.Na de dood van Margaretha in 1530 zette Karel V zich erg in voor de eenmaking van de Nederlanden. Dit kreeg in 1549 gestalte door de zogenaamde Pragmatieke Sanctie. Het bestuur over de Nederlanden kwam in handen van landvoogdes Maria van Hongarije en de Raad van State.

De opstand tegen het Spaans bewind van Filips II

Alva Belgie

Foto:Publiek domein

In 1555 werd Karel V opgevolgd door de absolute vorst Filips II. Dit absolutisme stuitte op veel verzet van de hoge adel in de Nederlanden. Daar kwam nog bij dat het protestantisme begin zestiende eeuw in de Nederlanden opdook. Vanaf 1522 ontstond er een streng repressief beleid door o.a. de staatsinquisitie. Dit alles leidde er echter niet toe dat het protestantisme ingeperkt werd en in 1565 werd er een eedverbond opgericht, waarvan vele leden de Reformatie of godsdienstvrijheid aanhingen. In 1566 vond de Beeldenstorm plaats en toen was voor Filips de maat vol. Landvoogdes Margaretha van Parma werd vervangen door de hertog van Alva, die een zeer streng en bloedig bewind voerde.

Het verzet hiertegen werd geleid door Willem van Oranje, die de Nederlanden aanvankelijk was ontvlucht maar vanaf 1568 de Tachtigjarige Oorlog ontketende. Deze oorlog in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden kende een wisselend verloop wat sterk samenhing met de opstelling van westerse mogendheden als Engeland en Frankrijk. Uiteindelijk wisten de Noordelijke Nederlanden in 1648 onafhankelijkheid te bewerkstelligen.

De Spaanse troepen opereerden vanuit de Zuidelijke Nederlanden die daardoor erg te lijden hadden. In 1576 overleed landvoogd Requesens, de opvolger van Alva, en op initiatief van de Staten van Brabant werd in datzelfde jaar de Pacificatie van Gent gesloten die vrijheid van godsdienst garandeerde. De opstandelingen hielden zich hier echter niet aan en als reactie hierop keerden de katholieken zich van hen af en verenigden zich in 1575 in de Unie van Atrecht met Filips II. De hertog van Parma, Farnese, onderwierp daarop vrijwel geheel Vlaanderen en een groot deel van Brabant. Veel gebieden werden heroverd en het katholicisme werd de staatsgodsdienst terwijl het protestantisme nagenoeg van de kaart verdween.

Onder Spaans bewind

Filips II Belgie

Foto:Publiek domein

Kort voor zijn dood stond Filips II de soevereiniteit over de Nederlanden af aan zijn dochter Isabella en haar man Albrecht van Oostenrijk. Uiteindelijk lukte het slechts om de Zuidelijke Nederlanden te regeren. Albrecht startte onderhandelingen met de noordelijke Republiek der Verenigde Nederlanden en dat leidde in 1609 tot het Twaalfjarig Bestand waardoor in feite de onafhankelijkheid van de Republiek werd erkend. Albrecht overleed in 1621 en meteen keerden de Zuidelijke Nederlanden onder Spanje terug en werd de oorlog hervat. Deze oorlog eindigde pas bij de Vrede van Munster in 1648, waarbij de Zuidelijke Nederlanden Noord-Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en een groot deel van de Landen van Overmaze moesten prijsgeven.

Sinds 1635 waren de Zuidelijke Nederlanden ook nog regelmatig in oorlog met Frankrijk en deze strijd werd voornamelijk op"Belgisch" grondgebied uitgevochten. Een deel van Henegouwen en Vlaanderen ging verloren, maar een totale inlijving door de Fransen kon met behulp van de Republiek en Engeland voorkomen worden.

Economisch was de oorlog voor de Zuidelijke Nederlanden desastreus. Antwerpen verloor zijn status als internationaal commercieel centrum en door plunderingen, hongersnood en pest leed ook het platteland. Pas met de aanstelling van Isabella en Albrecht keerde het economische tij zich weer wat, maar in de tweede helft van de 17e eeuw zette de dalende trend zich weer in door dalende landbouwprijzen. Eind 17e eeuw werd een economisch dieptepunt bereikt door voortdurend oorlogsgeweld en opnieuw werd de bevolking getroffen door ernstige hongersnood.

Onder Oostenrijks bewind

Maria Theresia Belgie

Foto:Publiek domein

Na de Vrede van Utrecht in 1713 werden de Zuidelijke Nederlanden toegewezen aan de Oostenrijkse keizer Karel VI. Hij werd vertegenwoordigd door een gouverneur-generaal en het dagelijks bestuur was in handen van een gevolmachtigd minister. In eerste instantie was dit de markies van Prié die al snel in conflict kwam met de gilden en edelen.

Na de dood van Karel VI brak de Oostenrijkse Successieoorlog uit en ook nu werd deze weer uitgevochten op Zuid-Nederlands grondgebied. Hij werd opgevolgd door zijn dochter Maria Theresia die na de Vrede van Aken in 1748 het bewind over de Zuidelijke Nederlanden kon gaan voeren. Ook zij liet dit echter weer doen door een gouverneur-genraal, o.a. Karel van Lotharingen, en een gevolmachtigd minister, o.a. de graaf van Cobenzl. Cobenzl zorgde voor een culturele en vooral economische opleving. Hij hervormde de financiën en wist de centrale macht van Brussel te verstevigen.

Deze centralistische en absolutistische politiek werd nog krachtiger voortgezet door de zoon van Maria Theresia, Jozef II. Ook het bestuursstelsel en het gerecht werden door hem in 1787 gemoderniseerd. Dat stuitte op veel verzet in alle lagen van de bevolking wat uiteindelijk leidde tot de Brabantse Omwenteling van 1789, waarna de Staten-Generaal in 1790 de onafhankelijkheid uitriep van de zogenaamde “Verenigde Belgische Staten”, een statenbond met maar weinig bevoegdheden voor het overkoepelende congres. Bovendien werd het verbond geteisterd door verdeelde fracties en gewestelijk particularisme.

In 1792 vielen de Fransen de Zuidelijke Nederlanden binnen en wisten het hele land en tevens het prinsbisdom Luik te bezetten. In 1793 leden ze echter een zodanige nederlaag bij Neerwinden dat ze zich moesten terugtrekken. Op 26 juni 1794 wisten de Fransen in de Slag bij Fleurus een definitieve overwinning te behalen.

De inlijving bij Frankrijk

Belgie Slag bij Waterloo

Foto:JoJan Creative Commons Attribution 3.0 Unported no changes made

Meteen na deze overwinning van de Fransen werden de hervormingen van de Franse Revolutie langzaamaan ingevoerd en werd het ancien régime, de oude sociale en politieke orde, afgeschaft. Op 1 oktober 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden als Belgische departementen bij de Franse Republiek ingelijfd. Kerkvervolging en dienstplicht zorgden in 1798 voor opstanden.

Rust kwam er pas met het consulaat van Napoleon I Bonaparte en met het concordaat dat de paus met Napoleon sloot. Tijdens de Franse tijd kon zich de in Engeland ontstane industriële revolutie ontwikkelen. Zo werd de textielindustrie gemechaniseerd, ontstond er een militaire industrie die leverde aan het Franse leger en werden er moderne fabrieken gebouwd. De bevolking kwam wel in opstand tegen de dienstplicht en de zware belastingen.

Het verfransingsproces in Vlaanderen werd versneld door het invoeren van het Frans als officiële taal. Het was dan ook niet vreemd dat bij de Slag bij Waterloo Belgen zowel met als tegen Napoleon streden; uiteindelijk leed Napoleon Bonaparte bij Waterloo in 1815 zijn definitieve nederlaag.

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de Belgische Revolutie

Leopold I en familie Belgie

Foto:publiek domein

Op 21 juni 1814 ondertekenden de grote mogendheden de"Acht Artikelen van Londen", waarbij tot de hereniging van Noord- en Zuid-Nederland werd besloten. Dit gebeurde op initiatief van Engeland dat na de ineenstorting van het Franse rijk een sterke bufferstaat wilde vormen tegen Frankrijk. In juli van dat jaar werden de artikelen aanvaard door Willem I en op 21 september 1815 legde hij de grondwettelijke eed af als"Koning der Nederlanden".

Het beleid van Willem I zorgde voor een verdere economische en industriële ontwikkeling van de Belgische gewesten. Helaas profiteerde de gewone man hier niet van. Wel werd het analfabetisme aangepakt door uitbreiding van het lager onderwijs en werd ernaar gestreefd om van het Nederlands de officiële taal in Vlaanderen te maken. De katholieken verzetten zich echter hevig tegen de onderwijspolitiek van de koning en er ontstond een heuse schoolstrijd. Na 1825 sloten liberalen en katholieken zich aaneen en in 1828 kwam de Unie van de katholieke en liberale oppositie tot stand (Unionisme).

Door de slechte economische toestand en de Franse Julirevolutie kwam het op 25 augustus 1830 tot relletjes in Brussel. Dit leidde uiteindelijk tot de afscheuring van de zuidelijke provincies en tot de oprichting van het Koninkrijk België. Deze gebeurtenis wordt ook wel de Belgische Revolutie genoemd. Het Voorlopig Bewind riep op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid uit. Op 3 november werd door een select groepje mensen het Nationaal Congres gekozen dat op 7 februari 1831 de Grondwet goedkeurde.

Na een conferentie op 4 november te Londen erkenden de grote mogendheden op 20 december 1830 de scheiding tussen Nederland en België. Op 3 februari 1831 werd de hertog van Nemours, de tweede zoon van de Franse koning, gekozen tot"koning der Belgen". Hij weigerde echter en op 24 februari werd Surlet de Chokier, de voorzitter van het Nationaal Congres, tot regent aangesteld. Op 4 juni 1831 werd Leopold van Saksen-Coburg-Cotha door het Congres tot staatshoofd gekozen en op 21 juli legde hij de eed af als eerste koning van de Belgen.

Na de revolutie van 1830 dacht men in bepaalde kringen dat de jonge Belgische staat koloniën nodig had om verzekerde afzetgebieden voor zijn industriële productie te verwerven. Deze gedachten werden vooral gedeeld door koning Leopold I, die uit eigen middelen reizen en ondernemingen financierde, die echter steeds op een mislukking uitliepen.

Tot de Eerste Wereldoorlog

Leopold II Belgie

Foto:Publiek domein

Na de onafhankelijkheid kwam het Unionisme onder druk te staan door de weer opspelende levensbeschouwelijke tegenstellingen. Zo wilden de katholieken eigenlijk niet langer samenwerken met de liberalen na een veroordeling vanuit Rome van het liberale karakter van het katholicisme. De liberalen van hun kant wezen het Unionisme af doordat zij vreesden dat de kerk een te grote invloed zou gaan hebben op het openbare leven. Het Unionisme bleef echter bestaan door tussenkomst van koning Leopold I en de katholieken. Zij zagen in het Unionisme de beste waarborg voor een combinatie van het eigen gezag en de kerkelijke belangen.

Toch kwam aan het Unionisme een eind door de opkomst van de Liberale Partij in 1846, die meteen aan de macht kwam na de verkiezingen van 1847. Meteen staken de tegenstellingen tussen liberalen en katholieken weer de kop op en opnieuw was de onderwijspolitiek een bron van onrust met rond 1880 weer het oplaaien van de schoolstrijd, waarbij uiteindelijk de katholieken baat vonden. In 1884 wonnen de katholieken de verkiezingen en zij bleven dertig jaar aan de macht.

Economisch veranderde België vrij snel van een landbouwstaat in een industriestaat met als belangrijke sectoren mijnbouw en metaalindustrie. Ook de aanleg van een spoorwegnet vanaf 1834 zorgde voor economische impulsen. De buitenlandse handel werd gestimuleerd en het bank- en verzekeringswezen nam een hoge vlucht. Het economisch liberalisme zorgde echter ook voor armoede en ellendige leefomstandigheden die resulteerden in een aantal uit socialistische groepen bestaande Belgische Werkliedenpartij (1885) die stakingen en opstanden organiseerde. Deze aandacht voor de sociale omstandigheden van de arbeiders leidde tot een aantal sociale wetten en de invoering van algemeen meervoudig kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar in 1893. Vooral de liberalen hadden onder deze ontwikkeling sterk te lijden.

Een nieuw kiesstelsel betekende een terugval van het zetelaantal van 61 in 1892 naar 20 in 1894. Vanaf ca. 1860 zorgde de Vlaamse Beweging ervoor dat de verfransing van Vlaanderen op de politieke kaart kwam te staan. De taalwetgeving resulteerde in 1898 tot de Gelijkheidswet. Wat de buitenlandse en militaire politiek betrof bleef België sinds 1831 aan neutraliteit vasthouden. In 1909 werd de persoonlijke dienstplicht ingevoerd en in 1913 de algemene persoonlijke dienstplicht. Deze hervorming kwam te laat om enig effect te hebben toen België op 2 augustus 1914 door een Duits ultimatum in de Eerste Wereldoorlog werd betrokken.

Koning Leopold II was evenals Leopold I een vurig voorstander van expansie in het buitenland. Naar aanleiding van de tochten van Livingstone and Stanley richtte hij in 1876 de Association Internationale Africaine op. Hij kreeg echter weinig medestanders en nam daarop Stanley in dienst. Deze zou een expeditie naar de Congo-rivier ondernemen, gefinancierd door de Association Internationale du Congo. Stanley had ondertussen al een overeenkomst gesloten met 450 stamhoofden die de soevereiniteit over hun gebieden hadden afgestaan. Door de Akte van Berlijn van 1885 werd de Association als een soevereine staat erkend. In april mocht Leopold als staatshoofd van de Onafhankelijke Kongostaat optreden en kreeg zelfs financiële steun van het parlement. In 1890 werden nog meer gebieden veroverd en stonden de beide Kamers een nieuwe lening toe. Voorwaarde was wel dat België de Kongostaat kon overnemen als de Association zou verzaken om de lening terug te betalen. Leopold wilde de rubber- en ivoorexploitatie monopoliseren en zette zich daarmee af tegen de Akte van Berlijn, die voor vrijhandel pleitte. Hiertegen volgden vele protesten met als gevolg een verdeling in een kroondomein (voor de Kongostaat), een vrijhandelszone en een voor de handel gesloten gebied. De geplande overname van de Kongostaat door België ging in 1901 niet door. In 1904 werd een internationale onderzoekscommissie opgericht door Leopold die alle misstanden moest rapporteren. Na de uitkomst van het rapport liet Leopold op 3 juni 1906 weten dat hij bereid was tot een soevereiniteitsoverdracht, op het kroondomein na. Op 28 november 1907 werd de akte van afstand getekend en op 15 november 1908 werd de Kongostaat onder de nieuwe naam Belgisch Congo een kolonie van België. De aanspraken van het kroondomein werd na Leopolds dood in 1909 ongedaan gemaakt.

Eerste Wereldoorlog

Belgie 1e Wereldoorlog Ieper

Foto:Publiek domein

De Eerste Wereldoorlog startte op 4 augustus 1914 met het binnenvallen van België door Duitsland. Het lukte de Belgen alleen om de opmars van de Duitsers te vertragen, maar al in oktober moest het Belgische leger zich terugtrekken tot achter het riviertje de IJzer in het zuidwesten van België. Koning Albert bleef in België maar de regering trok zich terug in het Franse Le Havre. Van echt verzet was weinig sprake, maar ook het aantal mensen (de zogenaamde activisten) dat samenwerkte met de Duitse bezetters was maar gering. Eind september 1918 begon het bevrijdingsoffensief waarna op 11 november de wapenstilstand werd gesloten. Bij het Verdrag van Versailles in 1919 werd de neutraliteitspositie van België opgeheven, mocht het een mandaat uitoefenen over Rwanda-Oeroendi en annexeerde het de Duitse gebieden Eupen, Malmédy en Sankt Vith, de zogenaamde Oostkantons.

Tussen de beide wereldoorlogen

Belgie Henri Jaspar

Foto:Publiek domein

Na 1918 werden er, ondanks het gebrek aan een totale visie op het kolonialisme, belangrijke vernieuwingen in de kolonies ingevoerd, waardoor Belgisch-Congo een van de meest voorbeeldige Afrikaanse kolonies werd met vormen van indirect bestuur, sociale en medische voorzieningen en lager onderwijs.

In 1919 werd het enkelvoudig algemeen kiesrecht ingevoerd, dat tot 1949 alleen voor mannen zou gelden. Men was nu bijna altijd aangewezen op coalitieregeringen en in de periode van de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog tot het begin van de Tweede Wereldoorlog kwam het zelfs vaak tot een samenwerkingsverband van de drie zogenaamde nationale partijen, de katholieken, de socialisten en de liberalen. In alle andere kabinetten tot de Tweede Wereldoorlog deden de katholieken met óf de liberalen óf de socialisten als partner mee.

Andere partijen die zich in het interbellum manifesteerden waren het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), dat steeds meer neigde naar het fascisme en het nationaal socialisme, en de Communistische Partij van België (CPB: nu KPB)

Het herstel van de economie kwam pas na 1925 weer goed op gang. Tot die tijd zorgde met name het voortdurende waardeverlies van de frank voor economische malaise. Het kabinet-Jaspar (1926-1927) liet de frank devalueren en deze muntontwaarding gaf de handel en de industrie sterke impulsen. Helaas kwam aan deze economische opgang al snel een einde na wereldcrisis in de jaren dertig. Pas na een nieuwe devaluatie van de frank in 1935 herstelde de economie zich weer. In de jaren tussen de beide wereldoorlogen werd ook de sociale wetgeving aangepakt en dat resulteerde o.a. in stakingsrecht (1921), een achturige werkdag (1921) en minimumloon (1936). In 1925 sloot België zich aan bij de Locarno-verdragen, waardoor het in een ruimer systeem van collectieve veiligheid werd opgenomen. Nadat Duitsland de verdragen opzegde, keerde België weer terug naar een neutraliteitspolitiek. Ook nu kon echter niet voorkomen worden dat België in een volgende wereldoorlog terechtkwam.

De Tweede Wereldoorlog

Belgie Ardennenoffensief

Foto:Publiek domein

Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen zonder oorlogsverklaring België binnen en op 28 mei capituleerde België. Koning Leopold III bleef in België, maar de ministersploeg week uit naar Frankrijk en later naar Londen. Het volledig bezette België kreeg ondertussen een militair bestuur. Na een aanvankelijk aarzelend begin breidde de van bij het begin ontstane verzetsbeweging zich na de winter van 1941 snel uit.

De Belgische economie werd door de Duitsers ingezet in de oorlogsvoering en er kwam een verplichte arbeidsdienst. Bij de collaborerende partijen hoorde uiteraard de VNV, maar erger waren de sterk pro-Duitse Vlaamse SS en DeVlag. Na de geallieerde doorbraak vanuit Normandië werd Brussel op 2 september 1944 bevrijd en een paar weken later praktisch geheel België. Na het Ardennenoffensief was België weer een vrij land.

Periode 1945-1970

Boudewijn Belgie

Foto:Publiek domein

Na de Tweede Wereldoorlog veranderen alle grote partijen van naam. De Katholieke Partij werd de Christelijke Volkspartij (CVP), de BWP werd de Belgische Sociale Partij (BSP) en de Liberalen vormden hun partij in 1961 om tot de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV). Het Vlaams-nationalisme kwam in 1954 terug in de politiek door de Volksunie (VU). In de jaren tachtig kwamen"groene" partijen als Agalev en Ecolo in het parlement en het extreem rechtse Vlaams Blok.

Na de Tweede Wereldoorlog werden er eerst twee regeringen van nationale unie samengesteld. Na 1946 volgden vele coalitieregeringen met wisselende samenstellingen en af en toe een eenpartijkabinet onder de CVP.

Na de Tweede Wereldoorlog staken de levensbeschouwelijke tegenstellingen al weer snel de kop op en ook de omstreden houding en eventuele terugkeer van Leopold III als koning leverden grote conflicten tussen de partijen op. Voeg daarbij de voortdurende Vlaams-Waalse tegenstellingen en dit alles bracht België op de rand van een burgeroorlog. Deze kon alleen voorkomen worden door de troonsafstand van Leopold III in 1951 ten voordele van zijn zoon Boudewijn.

Economisch wist België zich snel te herstellen van de oorlog door o.a. het Marshall-plan, de Benelux en ander Europese verbanden, de muntsanering van 1944 en het op dreef brengen van de steenkoolproductie en de relatief intact gebleven industriële infrastructuur. De schoolstrijd laaide ook weer op toen het socialistisch-liberale kabinet Van Acker de ruime subsidiëring van vrij (katholiek) onderwijs ongedaan maakte. In 1958 werd het Schoolpact door de drie nationale partijen gesloten waardoor de onrust in onderwijsland terugkeerde. Ondanks de economische vooruitgang bleven er veel mensen werkloos en pas vanaf 1959 trad daar verbetering in na de aangenomen Wet op de regionale expansie. Economische schaalvergroting, met name door de inwerkingtreding van de Europese Economische Gemeenschap, zorgde vanaf 1960 voor een periode van hoogconjunctuur. In 1966 werd er een tweede regionale expansiewet uitgevaardigd, die een nieuwe periode van hoogconjunctuur opleverde.

Na de Tweede Wereldoorlog nam de onafhankelijkheidsidee in Belgisch-Congo een steeds duidelijker vorm aan. Onlusten in Leopoldstad dwongen de Belgische regering ertoe om het recht van Belgisch-Congo op onafhankelijkheid te erkennen (13 januari 1959). Zonder noemswaardige tegenstand van de regering werd Belgisch –Congo op 30 juni 1960 een zelfstandige staat. Meteen braken daar onlusten uit die Belgie noopten tot een militaire interventie.

Het mandaat dat België na de Eerste Wereldoorlog over twee provincies van Duits Oost-Afrika, Oeroendi en Rwanda had gekregen, liep op 1 juli 1962 af en het gebied werd gesplitst in de onafhankelijke staten Rwanda en Boeroendi. Op het buitenlandse vlak werd de Benelux geleidelijk in werking gesteld en sloot Belgie zich aan bij diverse internationale organisaties als de West-Europese Unie, de Navo en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS).

De Vlaamse Beweging herstelde zich enigszins na de beëindiging van de schoolstrijd en daarna werden de Vlaams-Waalse verhoudingen weer aangepakt. Zo werd in 1962 de taalgrens vastgelegd en in 1963 de taalwetgeving herzien. Ook het idee van de federatie stak weer de kop op, ondanks grote bedenkingen bij de drie grote partijen. Toch werd de procedure tot herziening van de Grondwet ingezet, maar de CVP-BSP regering wist midden jaren zestig geen tweederde meerderheid te halen om de herzieningen door te voeren. De verkiezingen van 31 maart 1968 leverde veel zetelwinst op voor de federalistische partijen op.

De jaren zeventig

Wilfried Martens Belgie

Foto:Babciakorekta CC Naamsvermelding 2.0 Unported no changes made

In de jaren zeventig werd ook België getroffen door de internationale economische crisis en werd afgerekend op de verouderde economie. Een herstructurering van de textiel-, steenkool-, en staalindustrie was hard nodig.

De sluiting van vele bedrijven en het verlies van duizenden arbeidsplaatsen werd daarbij voor lief genomen. De werklosheid groeide in iets meer dan tien jaar tijd van 3,4% in 1972 tot 18,5% in 1983. Dit zorgde weer voor grote begrotingstekorten en een gigantische toename van de staatsschuld.

De centrum-rechtse regeringen-Martens voerden vanaf 1982 een streng saneringsbeleid om het begrotingstekort in te dammen en dat beleid begon op het einde van de jaren tachtig vruchten af te werpen: het begrotingstekort kon worden teruggedrongen en de werkloosheid begon te dalen, mede dankzij de heroplevende conjunctuur.

Vanaf 1970 stond de politiek voornamelijk in het teken van de staatshervorming. Er volgde economische decentralisatie en met een grondwetsherziening kwam er een einde aan het unitaire België. België werd verdeeld in vier taalgebieden, drie cultuurgemeenschappen en drie gewesten. Het geheel van de staatshervorming strandde echter in oktober 1978 op Vlaams verzet en grondwettelijke bezwaren van de CVP, de partij van Martens.

1980-2000

Jean-Luc Dehaene Belgie

Foto:Michel Vuijlsteke at en.wikipedia CC 3.0 Unportedno changes made

In 1980 werd de nieuwe grondwetsherziening alsnog doorgevoerd onder het zespartijenkabinet van Wilfried Martens. Hierdoor werd de gemeenschapsautonomie ruimer en werd de gewestvorming tot stand gebracht. Alleen over het statuut van Brussel bleek en bleef onenigheid bestaan. Al snel bleek dat er aan de staatshervorming vele haken en ogen zaten. Er ontstonden problemen over de staatshulp aan met name Waalse staalbedrijven en de taalkennis van politieke figuren in de Vlaamse faciliteitsregeringen. De kwestie rond burgemeester José Happart van Voeren leidde in de herfst van 1987 tot het aftreden van het kabinet en de langste regeringscrisis uit de Belgische geschiedenis, namelijk van december 1988 tot mei 1989. Dit alles was min of meer het sein om de verdere hervorming van de staat te vervroegen. Een nieuwe grondwetswijziging in 1988 gaf de gewesten, de gemeenschappen en het stadsgewest Brussel nog meer autonomie en financiële vrijheden. De parlementsverkiezingen zorgde voor grote verschuivingen binnen de Belgische politieke wereld. Alle grote partijen verloren zetels en de winst ging in Vlaanderen naar het uiterst rechtse Vlaams Blok en in Wallonië naar de milieupartij Ecolo.

Premier Martens werd opgevolgd door de Christen-Democraat Jean-Luc Dehaene die in 1992 een rooms-rood kabinet vormde. Voor Dehaene was het verminderen van de veel te hoge staatsschuld de belangrijkste doelstelling. Andere speerpunten van deze regering waren de sanering van de rijksbegroting, het terugdringen van de werkloosheid en de hervorming van de sociale zekerheid. Het begrotingstekort (1,3%) was in 1998 zodanig teruggedrongen dat België opgenomen werd in de Europese Monetaire Unie (EMU).

Na een grondwetsherziening in 1993 werd België een echte federale staat en werden de bevoegdheden van staat, gemeenschappen en gewesten officieel vastgelegd. Tevens werd het federale tweekamerstelsel hervormd en kwamen er rechtstreekse verkiezingen van de regionale parlementen. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kreeg zijn statuut in 1989. Op 31 juli 1993 overleed koning Boudewijn en werd opgevolgd door zijn broer, Albert II.

Bij de parlementsverkiezingen van 13 juni 1999 leden de regeringspartijen een grote nederlaag. Deze verkiezingen stonden in het teken van een dioxine-crisis die net voor de verkiezingen uitbrak. Op 27 mei werd bekend dat kippen en eieren via veevoeder besmet waren geraakt met dioxine. Omdat later bleek dat de verantwoordelijke ministers al veel langer van de problemen afwisten lag een zware verkiezingsnederlaag van de regeringspartijen voor de hand.

De CVP leed de grootste verliezen en de grootste fractie werd nu de Vlaamse Liberalen en Democraten (VLD). De grootste winnaars werden uiteraard de groene partijen Ecolo in Wallonië en Agalev in Vlaanderen. Ook het extreem-rechtse Vlaams Blok won in Vlaanderen, hoewel niet zoveel als verwacht. Daags na de verkiezingen bood premier Dehaene het ontslag van zijn kabinet aan en stelde zich niet langer beschikbaar voor een volgende regeringsperiode. Guy Verhofstadt, de latere premier en voorzitter van de VLD, werd tot formateur aangesteld en bracht een regering van liberalen, socialisten en groenen tot stand. Voor het eerst sinds 1958 werd er geregeerd zonder de CVP.

Tijdens de Kosovo-crisis in 1999 namen 600 Belgische paracommando’s deel aan Allied Harbour, de NAVO-operatie ter bescherming van de Kosovaarse vluchtelingen in Albanië. In datzelfde jaar vertrokken 1100 militairen naar Kosovo om deel te nemen aan KFOR, de NAVO-vredesmacht voor Kosovo.

In december 1999 kondigde de regering Verhofstadt aan om opnieuw een actief buitenlands beleid te voeren, met name in Centraal-Afrika waar o.a. de oude kolonie van België, Congo, ligt. Zo gauw daar vrede in de regio zou zijn zou België zich inspannen om de wederopbouw politiek en financieel te steunen.

Op 4 december 1999 trad kroonprins Filip in het huwelijk met Mathilde d’Udekem d’Acoz die vanaf die dag de titel"prinses van Belgie" draagt.

Op 1 januari 1999 werd de euro ingevoerd en vanaf 1 januari 2002 werd de frank volledig door de euro vervangen.

2000-2014

Guy Verhofstadt Belgie

Foto:Claude Truong-Ngoc / Wikimedia Commons - cc-by-sa-3.0no changes made

Grote winnaar bij de verkiezingen van 18 mei 2003 waren de socialisten, grote verliezers de groenen, waarna op 12 juli een paarse coalitie van liberalen en socialisten (VLD, MR, SP.A en PS) aantrad, wederom onder leiding van Verhofstadt. De Groenen verdwenen uit de federale regering (en ook uit het fede rale parlement).

De nieuwe regering heeft een ambitieus binnenlands programma, en streeft onder andere naar het creëren van 200.000 nieuwe banen tijdens de regeringsperiode. Ook worden de eerder ingezette administratieve hervormingen voortgezet, met speciale focus op de verbetering van het rechtssysteem en de politie. De Copernicushervormingen, ingevoerd door Verhofstadt I ter renovatie van het overheidsapparaat waarbij het voormalige systeem van ministeries werd omgevormd tot federale overheidsdiensten (fod's), zijn echter goeddeels teruggedraaid. Ook heeft de regering een uitzondering gemaakt op het verbod van tabaksreclame voor het racecircuit Francorchamps in de hoop de Belgische Grand Prix terug te krijgen. De verantwoordelijkheid voor wapenexport werd naar de gewesten gedelegeerd, dit in het belang van met name de Waalse wapenindustrie. Na een lange discussie over invoering van het migrantenstemrecht (VLD tegen, de andere drie coalitiepartners voor) werd dit in februari (op lokaal niveau) ingevoerd. Verhofstadt II wordt algemeen als minder stabiel dan Verhofstadt I gezien. De volgende federale verkiezingen zijn gepland op 13 juli 2007. De federale en regionale verkiezingen worden niet (meer) tegelijkertijd gehouden. De laatste regionale verkiezingen vonden plaats op 13 juni 2004. Een gevolg van deze verkiezingen is dat voor het eerst sinds de totstandkoming van de gewesten het Belgische politieke systeem een asymmetrische samenstelling kent. Dit betekent dat op gewestelijk niveau er een andere coalitie regeert dan op federaal niveau. In de huidige situatie zijn de Vlaamse christen-democraten (CD &V) op gewestelijk niveau regeringspartij maar op federaal niveau oppositiepartij. Vanzelfsprekend komen door een dergelijke asymmetrie de politieke verhoudingen in België (nog meer) onder spanning te staan.

Bij de laatste regionale verkiezingen van 13 juni 2004 heeft het rechts-nationalistische Vlaams Belang (voorheen: Vlaams Blok) haar electorale groei doorgezet. Na het kartel CD&V/NV-A is het VB de grootste partij van Vlaanderen. Aan besturen is het VB nog nooit toegekomen. Het door de andere partijen gesloten cordon sanitaire -de traditionele Vlaamse partijen boycotten tot nu toe elke coalitie met het Belang-heeft dit vooralsnog voorkomen. De vraag is echter hoelang het cordon nog houdbaar is zolang het VB blijft groeien.

In oktober 2006 vinden in België Gemeenteraadsverkiezingen plaats, partijen verdeeld over het gehele spectrum hebben gepolariseerde verkiezingsprogramma’s waardoor de onderlinge politieke spanningen tastbaarder worden. De Gemeenteraadsverkiezingen worden gezien als een indicatie voor de uitkomst van de landelijke verkiezingen van 2007.

Herman van Rompuy Belgie

Foto:Luc Van Braekel Attribution 2.0 Generic CC BY 2.0no changes made

Na de verkiezingen van 10 juni 2007 werden achtereenvolgens Didier Reynders en Jean-Luc Dehaene aangesteld tot informateur. Beiden slaagden niet in hun opdracht omwille van de communautaire patstelling en de moeilijke relatie van de CDH van Joëlle Milquet met de MR van Didier Reynders. Vooral de Vlaamse vraag voor een verdere staatshervorming en een onvoorwaardelijke splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde bemoeilijkten de taak van formateur Yves Leterme. Op donderdag 23 augustus 2007 heeft de formateur zijn ontslag aangeboden aan koning Albert, die het heeft aanvaard. Op 29 augustus 2007 heeft de koning na gesprekken met enkele ministers van staat de CD&V-er Herman Van Rompuy als 'verkenner' aangeduid om het communautaire veld te ontmijnen en om de regeringsonderhandelingen uit het slop te halen. Eind september werd Yves Leterme voor de derde keer formateur, maar begin november werden zijn formatiepogingen definitief van tafel geveegd, omdat cdH-leidster Joelle Milquet weigerde te antwoorden op Letermes ultieme 3 vragen om door te gaan met de onderhandelingen. De eenzijdige goedkeuring van de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde eerder die maand door de Vlaamse politici in de Kamercommissie had daar geen goed aan gedaan, net zomin als de daarop volgende alarmbelprocedure die de Walen wegens belangenvermenging inriepen. Na Letermes ontslag kwam in december premier Guy Verhofstadt opnieuw op de proppen, die net voor Kerstmis een nieuwe interim regering op de been bracht tot 23 maart met christendemocraten, liberalen en socialisten. Dit kerstkabinet bestaat uit 7 Vlaamse ministers (inclusief de eerste minister, Guy Verhofstadt) en 7 Waalse ministers. In maart 2008 komt er een voorlopig eind aan de crisis en treed een kabinet aan onder leiding van Yves Leterme. In het najaar van 2008 is het alweer gedaan met de rust en valt Leterme over de Fortis kwestie, hij heeft geprobeerd de rechtszaak over de bankdeal te beïnvloeden. In december 2008 probeert de Koninklijke verkenner oud-premier Martens de partijen te bewegen om door te gaan met dezelfde partijen, maar met een nieuwe premier. Op 2 januari 2009 wordt de nieuwe regering aangesteld met als premier Herman Van Rompuy. In november 2009 wordt van Rompuy de nieuwe voorzitter van de Europese Raad. Leterme keert terug als premier. Na een ruzie over de Vlaams-Waalse kwestie valt het kabinet in april 2010. Bij de verkiezingen van juni 2010 wordt in Vlaanderen de Vlaamse alliantie de grootste partij en winnen in Wallonië de socialisten. Ellio de Rupo wordt in december 2011 premier na een recordtijd (541 dagen) zonder regering.

Belgie Koning Filip en Koningin Mathilde

Foto:Michael Thaidigsmann CCNaamsvermelding 3.0 Unportedno changes made

In juli 2013 treedt Koning Albert II af ten gunste van zijn zoon Filip. In mei 2014 wordt de N-VA de separatistische Vlaamse partij de grootste in Vlaanderen en de koning vraagt haar leider om naar de mogelijkheden te kijken om een nieuwe regering te vormen. In oktober 2014 vormt Charles Michel een nieuwe coalitieregering. In 2015 wordt het veiligheidsniveau verscherpt naar aanleiding van dreiging door Islamitische Staat. In maart 2016 wordt Brussel toch opgeschrikt door aanslagen op Zaveltem en in Brussel zelf waar in totaal 35 doden zijn te betreuren. Bij de verkiezingen van 26 mei 2019 kreeg de N-VA 16% van de stemmen, Vlaams Belang 12% en Parti Socialiste werd met 9,5% de derde partij. Sindsdien is er een formatie gaande. Sindsdien wordt België geleid door een demissionair kabinet. Dit stond in eerste instantie onder leiding van premier Michel. Omdat hij werd benoemd tot voorzitter van de Europese Raad, werd Michel in oktober 2019 opgevolgd door de eerste vrouwelijke Belgische premier: Sophie Wilmès.

Bevolking

Kuifje, Beroemdste Belg?

Foto:Newtown graffity CCNaamsvermelding 2.0 Unportedno changes made

België telt 11.491.346 miljoen inwoners (2017). In 1830 telde België nog maar 3,8 miljoen inwoners en in honderd jaar tijd verdubbelde dat aantal tot ruim 8,1 miljoen. In de eerste volkstelling na de Tweede Wereldoorlog werden ruim 8,5 inwoners geteld. Tussen 1961 tot 1971 groeide de bevolking het hardst met gemiddeld 51.000 mensen per jaar. In 1996 daalde dit aantal tot nog"maar" 24.000. In 2017 bedroeg de bevolkingsgroei 0,7%.

Het aantal geboorten per duizend inwoners schommelde van 1947 tot 1964 rond de 17. Daarna volgde een scherpe daling tot 11,3 in 2017. Het sterftecijfer (het aantal overledenen per duizend inwoners) bedroeg 9,7 in 2014 (tegenover 12,3 in 1970 en 11,5 in 1980). Tussen 1970 en 1980 daalde het kindersterftecijfer (het aantal overleden kinderen jonger dan 1 jaar per duizend geboorten) met 43% (van 21,1 tot 12,1) en tussen 1980 en 1986 nogmaals van 12,1 tot 9,4. In 2017 daalde het kindersterftecijfer tot 3,4.

In 2017 bedroeg de levensverwachting 83,8 jaar voor vrouwen en 78,75 voor mannen. De vergrijzing van de bevolking kan o.a. uitgedrukt worden aan de hand van het aandeel van de ouderen (65+) in de totale bevolking, dat tussen 1947 en 1988 van 11 tot 14,4% steeg; in 1993 was dit aandeel 17,81% en in 2017 gestegen tot 18,6%.

De opbouw van de gehele bevolking ziet er op dit moment als volgt uit:

0-14 jaar: 17,2%

15-64 jaar: 64,2%

65+: 18,6%

De bevolkingsdichtheid van België bedraagt 376 inwoners per vierkante kilometer, maar regionaal zijn er belangrijke verschillen; in het Vlaamse Gewest wonen meer inwoners per vierkante kilometer dan in het Waalse Gewest. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is zeer dichtbevolkt met meer dan 5000 mensen per vierkante kilometer.

Vlaanderen is het meest bevolkt met ongeveer 6,5 miljoen inwoners terwijl Wallonië 3,6 miljoen inwoners telt. De bijna 1,2 miljoen inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen bijna 10% van de totale Belgische bevolking. In de Vlaamse steden Antwerpen, Gent en Brugge woont 14% van de Vlaamse bevolking en in de drie Waalse steden Charleroi, Luik en Namen 15,% van de Waalse bevolking.

De dichtstbevolkte gebieden in België zijn de provincies Antwerpen, Vlaams Brabant en het Brussels Gewest. In Vlaanderen is Limburg de dunst bevolkte provincie. De dichtstbevolkte provincie in Wallonië is Henegouwen. In de Waalse provincie Luxemburg woont gemiddeld het minste aantal Belgen; slechts 55 inwoners per km2.

In 2017 woonden er iets meer dan 1.000.000 allochtonen in België. De zes belangrijkste nationaliteiten zijn Italianen, Marokkanen, Fransen, Nederlanders, Turken en Spanjaarden. Deze autochtone bevolkingsgroepen wonen vooral in Henegouwen (de oude industrie-as Bergen-Charleroi), het Bekken van Luik, de voormalig Limburgse mijnstreek, Brussel en Antwerpen.

Immigranten zijn verantwoordelijk voor ongeveer de helft van de jaarlijkse bevolkingsaanwas.

Taal

Vlag Franstalige Gemeenschap Belgie

Foto:Publiek domein

België kent twee grote taalgemeenschappen, de Nederlandse en de Franse, en een kleinere Duitse taalgemeenschap. De aloude taalkwestie of taalstrijd is een rechtstreeks gevolg van deze meertaligheid. In de Grondwet van 1831 werd vastgelegd dat het gebruik van de in België gesproken talen vrij is. Alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor rechtszaken kan er wat worden geregeld. In feite was echter het Frans sinds de oprichting van de Belgische staat de officiële taal. Op 17 augustus 1873 werd er een wet aangenomen waarin het Nederlands evenwaardig beschouwd werd als militaire, juridische, administratieve en onderwijstaal. In een wet van 31 juli 1921, het zogenaamde territorialiteitsbeginsel, werd de eentaligheid van het Franse en het Nederlandse taalgebied voor het eerst geformuleerd. De agglomeratie-Brussel werd tweetalig.

Vlag Nederlandstalige Gemeenschap Belgie

Foto:Publiek domein

In het Nederlandse en het Franse taalgebied is volgens dit beginsel het Nederlands respectievelijk het Frans de enige toegelaten taal in het recht, het onderwijs en de administratie. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn het Nederlands en het Frans als officiële taal volledig gelijk.

Op 8 november 1962 werden de taalgrenzen precies afgebakend en in i963 werd het Duitstalige gebied wettelijke erkend.

In 1970 werd de grondwet herzien en de vier taalgebieden in de Grondwet ingeschreven, maar er blijven uitzonderingen bestaan die dan ook steevast voor problemen zorgen. In sommige gemeenten genieten anderstaligen van zogenaamde"faciliteiten" en mag er ook een andere administratieve en onderwijstaal gebruikt worden.

De overheid moet echter al haar handelingen in de taal van het taalgebied verrichten en rechtstreeks gekozen mandatarissen als gemeenteraadsleden en schepenen zijn verplicht kennis van de taal te hebben.

De oorsprong van de benaming van het staatkundige begrip België is te vinden in de naam Belgae, een groep Keltische stammen die het gebied bewoonden dat onder de Romeinse keizer Augustus als de provincie Belgica zou worden ingericht. Na de Romeinse overheersing raakte de naam in onbruik tot aan de humanisten (tweede helft 15de eeuw), die echter de namen Belgium en Belgae zowel op het huidige Nederland als op het huidige België als op de beide tezamen toepasten. Zo werd bijv. met de benaming Belgium Foederatum de Republiek der Verenigde Nederlanden aangeduid.

Tijdens de Brabantse Omwenteling werden de Zuidelijke Nederlanden tot een onafhankelijke staat uitgeroepen, die de naam États Belgiques Unis kreeg. De benaming Belgen werd voortaan bijna uitsluitend gebruikt met betrekking tot bewoners van het grondgebied dat later België zou vormen en met het ontstaan van de staat België (1830) kregen de namen België en Belgen voorgoed hun huidige betekenis.

Godsdienst

Kathedraal Antwerpen

Foto:Ad Meskens CCNaamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

In België is de vrijheid van godsdienst grondwettelijk gewaarborgd, wat niet betekent dat alle godsdiensten over dezelfde voorrechten beschikken. Sommige godsdienstige groeperingen zijn niet wettelijk erkend en andere weigeren wettelijke erkenning zoals bijvoorbeeld Jehova's Getuigen en sommige fundamentalistische sekten. Groeperingen die wel wettelijke erkend zijn, worden financieel ondersteund door de staat. Dit is het geval voor de katholieke, protestantse, anglicaanse, joodse en (sinds 1974) islamitische godsdienst.

België is een overwegend katholiek land. Het aantal katholieke dopelingen bedroeg in 1995 nog 70% van de totale Belgische bevolking. Opvallend is dat in 1995 nog maar 13% van de katholieken aangaf praktiserend te zijn tegen ca. 50% in 1970. Bij de min of meer praktiserende katholieken onderscheidt men de zogenaamde progressieve en conservatieve katholieken.

België vormt een kerkprovincie die sinds 1967 acht bisdommen omvat: het aartsbisdom Mechelen-Brussel, Antwerpen, Luik, Hasselt, Namen, Gent, Doornik en Brugge.

Het aantal protestanten wordt geschat op ruim 60.000 verdeeld in enkele denominaties en sekten. De protestanten zijn in diverse kerkverbanden gegroepeerd, waarvan de belangrijkste zijn: de Protestantse Kerk van België (16.000 leden), de Hervormde Kerk van België (10.000 leden, met name in Wallonië) en de Gereformeerde Kerken in België (2000 leden, met name in Vlaanderen. Sinds 1978 zijn deze kerken gegroepeerd in de Verenigde Protestantse Kerken van België.

De Belgische Evangelische Zending (BEZ) werd sinds 1972 geleidelijk gestructureerd in een Bond van Vrije Evangelische Gemeenten (VEG). Deze BEZ-VEG is van baptistische signatuur en telt ca. 5000 leden. De VEG heeft een zeker"sekte"-karakter. Andere sektarische protestantse groeperingen zijn de Pinkstergemeenten (ca. 5000 leden), de Vergadering van Gelovigen, de Vergadering der Broeders, de Bond van Evangelische Baptistenkerken van België en het Leger des Heils, met ieder ongeveer 1500 leden. Nog kleinere groeperingen zijn de Vrije Lutherse Kerk en de Mennonieten Zending.

België telt ongeveer 80.000 orthodoxen, vijf bisschoppen en meer dan vijftig priesters en diakens. Het merendeel van de orthodoxen is van Griekse afkomst en orthodoxe parochies zijn verspreid over het hele land te vinden:

Oecumenisch Patriarchaat: 29 parochies behoren tot het Orthodox Aartsbisdom van België en het Exarchaat van Nederland en Luxemburg; 5 behoren tot het Exarchaat van de Orthodoxe Parochies van Russische traditie en 2 behoren tot de traditie van de Oekraïense taal.

Tot het Patriarchaat van Moskou behoren vijf parochies, drie kapellen en twee kloosters.

Tot het Patriarchaat van Servië behoort één parochie; tot het Patriarchaat van Roemenië twee parochies; tot het Patriarchaat van Bulgarije één parochie.

In 1985 werd de Orthodoxe Eredienst officieel door de Belgische Staat erkend. Een wet van 1988 voorziet de praktische organisatie van deze eredienst. Deze wet bepaalt ook dat de ‘Metropoliet-Aartsbisschop van het Oecumenisch Patriarchaat van Konstantinopel of zijn plaatsvervanger’ de vertegenwoordiger is ‘van het geheel van de Orthodoxe Kerk’.

Verder hebben de weinig bekende Belgische boeddhisten (enkele duizenden) hun eigen huis te Brussel. De bekendste van deze wettelijk niet erkende godsdiensten zijn Jehova's Getuigen, met ongeveer 20.000 verkondigers.

Het aantal joden in België bedraagt ca. 35.000 en er zijn drie geïnstitutionaliseerde vormen van religieuze groepsvorming te onderscheiden: orthodoxen, conservatieven en gereformeerden. In België komen deze drie vormen voor, maar de gereformeerde gemeente L'Union Libérale Israélite de Belgique werd niet erkend door het Centraal Israëlitisch Consistorie (CIC).

Synagoge Antwerpen

Foto:Torsade de Pointes in het publieke domein

In Antwerpen wonen minder joden dan in Brussel (resp. 13.000 en 18.000), maar toch is de joodse gemeenschap van Antwerpen (grotendeels van Poolse afkomst) de bekendste. Dit komt o.a. doordat zij in Antwerpen meer geconcentreerd woont en verder omdat 80% van de joden hier bij een godsdienstige gemeente is aangesloten (tegen slechts 40% elders) en omdat de joodse gemeenschap in Antwerpen sterk vasthoudt aan traditionele gebruiken.

Antwerpen kent twee grote gemeenten: de orthodoxe Machsike Hadass, die nauw verwant is met de ultraorthodoxe Chassidiem (een mystiek-charismatische gemeenschap met specifieke klederdracht) en de conservatieve Shomer Hadass.

Volgens een schatting in 2011 leven er in België ca. 900.000 moslims, waarvan ca. 98% de soennitische stroming in de islam aanhangt, en is daarmee op dit moment de grootste religieuze minderheid in België. In Brussel is ca. 25% van de bevolking moslim, in Wallonië ca. 4% en in Vlaanderen ca. 3,9%.

De aanwezigheid van moslims in België houdt sterk verband met de immigratie van buitenlandse arbeidskrachten sinds de Tweede Wereldoorlog. Het betreft voornamelijk Marokkanen, Turken, Tunesiërs en Algerijnen. Het in 1963 opgerichte Centre Islamique et Culturel bezit sedert 1968 rechtspersoonlijkheid en in 1974 werd de islam wettelijk erkend.

De oudste moskee van Brussel is de Grote Moskee

Foto: Demeester CC Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

Ongeveer 20% van de Belgen is vrijzinnig of hangt geen godsdienst aan.

Samenleving

Algemeen

Paleis der Natie Belgie

Foto:Benjah CC Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

Het Belgische staatsbestel is zeer complex. Door België loopt een 172 jaar oude

scheidslijn tussen een Germaanse en een Latijnse cultuur, die het land verdeelt in een Nederlandstalig en een Franstalig gebied. Een gebrek aan nationale eenheid en toenemende wrijvingen en conflicten tussen Frans- en Nederlandstaligen leidden uiteindelijk tot een grondige bestuurlijke hervorming waarmee in de jaren zeventig van de vorige eeuw een begin werd gemaakt.

In 1995 werd onder leiding van premier Luc Dehaene de Federale Staat België gesticht. In de eenheidsstaat zijn nu drie gelijke niveaus te vinden. In de eerste plaats de Federale Staat, dan de drie Gemeenschappen en de drie Gewesten. Deze drie bestuursniveaus hebben gelijke juridische status wat betreft de wetgevende en uitvoerende macht. Daaronder komen de provincies en gemeenten als bestuurslagen.

Federale Staat

Binnen de Federale Staat wordt de wetgevende macht uitgeoefend dor enerzijds het federale parlement, dat is samengesteld uit twee vergaderingen (de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat) en anderzijds de regering, met name de koning en de ministers. De koning oefent geen persoonlijke macht uit. Zijn ministers dragen de volle verantwoordelijkheid voor de wetsontwerpen die door het parlement werden aangenomen. De persoon van de Koning is derhalve onschendbaar en kan niet voor het gerecht worden gedaagd, niet in strafzaken en ook niet in burgerlijke zaken.

De leden van beide kamers worden tegelijkertijd voor een periode van vier jaar gekozen volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en via algemeen stemrecht. Mannen en vrouwen van 18 jaar en ouder hebben een kiesplicht. In de Kamer van Volksvertegenwoordigers worden de 150 volksvertegenwoordigers (vroeger 212 leden) rechtstreeks gekozen bij algemeen stemrecht. De Senaat telt, in plaats van vroeger 184, nu nog slechts 71 leden: 40 senatoren (25 Nederlandstaligen en 15 Franstaligen) die door de bevolking gekozen worden, 21 senatoren die worden aangewezen door de Gemeenschappen (10 uit de Vlaamse Gemeenschap, 10 uit de Franse Gemeenschap en 1 uit de Duitse Gemeenschap) en 10 gecoöpteerde senatoren (6 Nederlandstaligen en 4 Franstaligen). Verder zijn er nog senatoren die van rechtswege, als lid van de koninklijke familie, aan de senaat toegevoegd kunnen worden.

De koning benoemt en ontslaat (op voorstel van de meerderheidspartijen) de ministers en de staatssecretarissen, die samen met hem de regering vormen. De ministerraad (waarvan de staatssecretarissen geen deel uitmaken) telt maximaal 15 leden en wordt geleid door de eerste minister. De federale regering is samengesteld uit evenveel Frans- als Nederlandstalige ministers.

De bevoegdheden van de Federale Staat omvatten alles wat te maken heeft met het algemene belang, zoals leger, politie, justitie, sociale zekerheid, energiebeleid (met name het vastleggen van tarieven) en volksgezondheid. De Gewesten zijn bevoegd om te beslissen over het economisch beleid, maar de staat bewaakt de economische eenheid van het land. Gemeenschappen zijn bevoegd om over cultuur en onderwijs te beslissen, maar leerplicht en diploma-eisen worden weer door de staat bepaald.

Gemeenschappen

De federale staat België telt drie Gemeenschappen. Men gaat daarbij uit van de"taal" en spreken dus van de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige Gemeenschap.

De Vlaamse Gemeenschap oefent haar bevoegdheden uit in de Vlaamse provincies en in Brussel; de Franse Gemeenschap in de Waalse provincies, met uitzondering van de Duitstalige gemeenten, en in Brussel; de Duitstalige Gemeenschap in de gemeenten van de provincie Luik die het Duitse taalgebied vormen.

Een Gemeenschap is bevoegd voor de cultuur (b.v. theater en bibliotheken), het onderwijs, het gebruik van talen en de persoonsgebonden aangelegenheden die aan de ene kant het gezondheidsbeleid en aan de andere kant de hulp aan personen omvatten. Zij zijn eveneens bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek en de internationale betrekkingen die met hun bevoegdheden te maken hebben.

Gewesten

Naast de federale staat en de Gemeenschappen staan de Gewesten: het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waalse Gewest. De bevolking kiest om de vijf jaar rechtstreeks de leden van de Gewesten. De wetgevende en uitvoerende organen worden Gewestraad en Gewestregering genoemd.

In Vlaanderen zijn de Gemeenschaps- en Gewestelijke instellingen samengesmolten en men heeft daar dus één raad en één regering.

Gewesten beschikken over bevoegdheden in domeinen die met hun regio of gebied in de ruime zin van het woord te maken hebben. Ze zijn bevoegd voor economie, werkgelegenheid, landbouw, waterbeleid, huisvesting, openbare werken, energie, vervoer, leefmilieu, ruimtelijke ordening en stedenbouw, modernisering van de landbouw, natuurbehoud, buitenlandse handel en toezicht over provincies en gemeenten.

Het Vlaamse Gewest omvat de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Limburg, Antwerpen en Vlaams-Brabant. Het Waalse Gewest omvat de provincies Henegouwen, Namen, Luik, Luxemburg en Waals-Brabant. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest omvat het gebied van de stad Brussel samen met de 19 gemeenten van het arrondissement. Naast hoofdstad is Brussel het economische, politieke en culturele centrum van België. Door zijn groeiende internationale rol sinds het ontstaan van de Europese Unie is Brussel een van de belangrijkste Europese zakencentra geworden. Meer dan 1100 internationale organisaties zijn in Brussel gevestigd of hebben er hun Europees hoofdkwartier.

Provincies

Belgie Provincies

Foto:Kneiphof, Finn Bjørklid CC3.0 Unported no changes made

De provincie heeft op haar grondgebied de verantwoordelijkheid voor alles wat van provinciaal belang is, dus alles wat in het belang van de provincie moet gebeuren en niet valt onder het algemeen belang van de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten, of onder het gemeentelijk belang

Sinds de laatste staatshervorming zijn er tien provincies. Door deze laatste staatshervorming werd de provincie Brabant afgeschaft en vervangen door de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant. Het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest valt buiten de indeling in provincies.

De provincies zijn autonome instellingen maar staan onder toezicht van de gewesten en in mindere mate van de federale staat en de gemeenschappen. Provincies hebben een provincieraad en de leden daarvan worden rechtstreeks en voor zes jaar gekozen. Deze raad neemt beslissingen van algemene aard en zorgt voor de provinciereglementen. De provincieraad benoemt uit haar leden zes afgevaardigden die de Bestendige Deputatie vormen. Deze Bestendige Deputatie wordt voorgezeten door de gouverneur en is in feite het dagelijks bestuur van de provincie met uiteenlopende bevoegdheden. De gouverneur wordt benoemd en afgezet door de koning, en valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken.

Provincies hebben ruime bevoegdheden en werken o.a. initiatieven uit inzake onderwijs, sociale en culturele infrastructuren en sociaal beleid. Ze houden zich ook bezig met leefmilieu, wegen en waterwegen, economie, openbare werken en huisvesting. Hoewel de provincies autonoom zijn staan ze onder controle van de gemeenschappen en de gewesten.

De Bestendige Deputatie levert o.a. vergunningen af voor de exploitatie van industriële, ambachtelijke, commerciële en landbouwvestigingen die risico's inhouden of schadelijk zijn en daarom gecontroleerd moeten worden.

De provinciegouverneur beschikt over bevoegdheden inzake veiligheid en ordehandhaving.

Gemeenten

Belgie Gemeenten

Foto:Publiek domein

Bij het ontstaan van de Belgische Staat in 1831 waren er 2739 gemeenten. Sinds de fusie van de gemeenten in 1975 zijn er nog 589 gemeenten:

Vlaanderen 308 gemeenten

Wallonië 262 gemeenten

Brussels Gewest 19 gemeenten

Ieder gewest oefent het toezicht uit op de gemeenten van zijn grondgebied. Het toezicht van de andere overheden, met name de gemeenschappen en de federale staat, is beperkt tot de terreinen waarvoor de gemeenschappen en de federale staat bevoegd zijn.

In elke gemeente is er een gemeenteraad die is samengesteld uit 7 tot 55 leden, afhankelijk van het aantal inwoners. Door middel van gemeentereglementen regelt de gemeenteraad alles wat van"gemeentelijk belang" is. De gemeenteraad kiest de schepenen die samen met de burgemeester het College van Burgemeester en Schepenen vormen. De burgemeester wordt, onder verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken, door de koning benoemd uit de leden van de gemeenteraad. Gemeenteraadsleden kunnen wel kandidaten voordragen bij de gouverneur.

De gemeentelijke bevoegdheden zij erg ruim en omvatten alles wat te maken heeft met het"gemeentelijk belang", en dat kan liggen op het gebied van openbare werken, sociale bijstand, ordehandhaving, huisvesting, onderwijs, etc.

De gemeenten staan onder controle van de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten en de provincies en moeten ook taken uitvoeren die hen worden opgelegd door de hogere instanties.

De gemeenten zijn ook vooral belast met de politiemachten, met het beheer van de burgerlijke stand en met het bijhouden van de bevolkingsregisters. De burgemeester staat aan het hoofd van de gemeentepolitie. Elke gemeente heeft verder een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn dat maatschappelijke hulp verleent.

Onderwijs

Algemeen

België heeft vrijheid van onderwijs volgens artikel 24 van de Grondwet. Het onderwijs in België wordt gegeven in instellingen die behoren tot de officiële of openbare sector (gemeenschappen, provincies, gemeenten) en tot de bijzondere of vrije sector (vooral rooms-katholieke scholen).

Het onderwijssysteem is in België gestructureerd over de niveaus basisonderwijs (voorschoolse opvoeding en lager onderwijs), secundair onderwijs en hoger onderwijs. Bovendien werd door de Wet van 6 juli 1970 het buitengewoon onderwijs in de wettelijke regeling opgenomen.

Sinds 1921 geldt de leerplicht voor kinderen van zes tot en met veertien jaar. In 1983 werd de leerplicht verlengd tot achttien jaar, met van zestien tot achttien jaar een stelsel van deeltijdleerplicht.

De totale schoolbevolking telde in het schooljaar 1998/1999 2.261.000 personen.

Kleuteronderwijs : 425.000

Lager onderwijs : 737.000

Secundair onderwijs : 800.000

Hoger onderwijs : 299.000, waarvan 133.000 universitaire studenten en 166.000 niet-universitaire studenten

Kleuteronderwijs

In België maken de voorschoolse voorzieningen een integrerend deel uit van de onderwijsinfrastructuur. Het staat ouders daarentegen vrij om hun kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 6 jaar van dit onderwijs te laten genieten. Veel instellingen voor kleuteronderwijs zijn verbonden aan een basisschool en in hetzelfde gebouw gevestigd.

Basisonderwijs

Voor elk van de drie officiële talen en gemeenschappen in België bestaat er een afzonderlijk gratis onderwijsstelsel.

De tot hun 15 jaar volledig leerplichtige kinderen moeten de basisschool doorlopen en minstens de eerste twee jaren van het secundair onderwijs. Zij die de eerste twee jaren van het secundair onderwijs niet beëindigen blijven voltijds leerplichtig tot hun 16e jaar. Men kan dan wel kiezen om tot het 18e jaar deeltijdonderwijs te volgen.

Het lager onderwijs (Frans: enseignment primaire ; Duits: Primarschulwesen) is gericht op kinderen van 6 tot 12 jaar, omvat zes leerjaren en verdeeld in drie cycli van twee jaar. Kinderen worden leerplichtig in september van het jaar waarin ze zes jaar worden.

Aan het einde van de zesjarige basisschool krijgen de leerlingen een"Getuigschrift van het basisonderwijs" (Frans: Certificat d'études de base ; Duits: CEB, Abschlusszeugnis der Grundschule).

In het Brussels Gewest is de studie van het Nederlands verplicht vanaf achtjarige leeftijd. In de rest van de Franse Gemeenschap kan een tweede landstaal (Nederlands of Duits) of Engels worden onderwezen vanaf de leeftijd van 10 jaar.

In de Duitse Gemeenschap kan het Frans worden onderwezen vanaf het eerste leerjaar en is verplicht vanaf het derde jaar.

In de Vlaamse Gemeenschap van het Brussels Gewest kan het Frans onderwezen worden vanaf het eerste leerjaar. De studie van het Frans is verplicht vanaf de leeftijd van 8 jaar. In alle andere scholen van de Vlaamse Gemeenschap kan het Frans worden onderwezen vanaf de leeftijd van 10 jaar.

Middelbaar onderwijs

Het secundair onderwijs (Frans: enseignement secondaire ; Duits: Sekundarschulwesen) is ook verplicht en voor jongeren van 12 tot 18 jaar. Het secundair onderwijs omvat vier richtingen: algemeen, technisch, kunst- en beroepsonderwijs. Het Diploma van hoger secundair onderwijs (Frans: certificat d'enseignement secondaire supérieur ; Duits: Abschlusszeugnis der Oberstufe des Sekundarunterrichts) wordt toegekend aan leerlingen die het secundair onderwijs hebben beëindigd.

In de Franse Gemeenschap is het secundair onderwijs te verdelen in twee hoofdcategorieën:

Type 1, het vernieuwde onderwijs, bestaande uit drie cycli van twee jaar:

Eerste cyclus: observatiegraad voor leerlingen van 12 tot 14 jaar,

Tweede cyclus: oriëntatiegraad voor leerlingen van 14 tot 16 jaar,

Derde cyclus: determinatiegraad voor leerlingen van 16 tot 18 jaar.

Type 2, het traditionele onderwijs, bestaande uit twee cycli van drie jaar.

De meeste leerlingen volgen op dit moment het onderwijs van type 1. Voor de Duitse Gemeenschap geldt dat alleen het type 1 beschikbaar is.

Het aanbod in scholen van type 2 omvat een kleiner aantal algemene en technische opleidingen. De eerste cyclus van het technisch onderwijs leidt tot een getuigschrift van lager secundair onderwijs.

In de Vlaamse Gemeenschap zijn de twee typen onderwijs vervangen door een nieuwe eenheidsstructuur die drie tweejarige cycli behelst en vier richtingen omvat, algemeen, technisch, kunst- en beroepsonderwijs.

Instellingen waar behalve algemeen ook kunst-, technisch en beroepsonderwijs wordt gegeven, heten"atheneum" (athénée) als het gaat om officiële (neutrale) scholen en"lyceum" of"college" als het gaat om vrije scholen. Instellingen waar technisch of beroepsonderwijs wordt gegeven, worden meestal"instituut" genoemd.

In de Franse Gemeenschap is de studie van een vreemde taal verplicht in alle typen secundair onderwijs en in bepaalde richtingen kan een bijkomende vreemde taal worden onderwezen.

In de Duitse Gemeenschap worden het Duits en het Frans onderwezen vanaf de eerste cyclus terwijl een bijkomende vreemde taal kan worden onderwezen vanaf de tweede cyclus. In sommige scholen worden vakken in het Frans onderwezen.

In de Vlaamse Gemeenschap wordt het Frans en in sommige gevallen ook het Engels onderwezen vanaf de eerste cyclus. Vanaf de tweede cyclus wordt een vreemde taal onderwezen en in het algemeen secundair onderwijs wordt ook een derde taal onderwezen.

Hoger onderwijs

Universiteit Leuven

Foto:Juhanson CCNaamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

In de Vlaamse en Franse Gemeenschap zijn er drie typen hoger onderwijs te onderscheiden: hoger onderwijs van het korte type, van het lange type en universitair onderwijs.

Het universitair onderwijs wordt verstrekt aan universiteiten of aan instellingen van universitair niveau en omvat opleidingen van minstens vier jaar, verdeeld over twee cycli. Elke cyclus wordt afgesloten met een diploma dat toegang verleent tot de volgende cyclus. Elk van deze cycli loopt over twee à drie jaar.

Het hoger onderwijs van het korte type bestaat uit één cyclus van drie à vier jaar en omvat een breed scala aan studierichtingen.

Het hoger onderwijs van het lange type is gelijkgesteld met het universitair onderwijs en omvat twee cycli die samen minstens over vier jaar lopen.

Naast de zes"volledige" universiteiten zijn er een aantal universitaire instellingen die een beperkt aantal studierichtingen aanbieden.

In de Duitse Gemeenschap is er alleen hoger onderwijs van het korte type. Het paramedisch en pedagogisch hoger onderwijs wordt afgesloten met het"Graduierte"-diploma.

In de Franse Gemeenschap worden de volgende universitaire diploma's uitgereikt:

-candidat na de eerste twee- of driejarige cyclus,

-licencié na de twee- of driejarige tweede cyclus,

-docteur.

Het hoger onderwijs van het korte type wordt afgesloten met het gradué-diploma.

In de Vlaamse Gemeenschap wordt de eerste cyclus van het universitair onderwijs afgesloten met het kandidaatsdiploma. De tweede cyclus wordt afgesloten met het licentiaatsdiploma en de derde cyclus betreft het doctoraat.

Politiek

Wapen van Belgie

Foto:Sodacan CC Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

De Belgische binnenlandse politiek wordt sinds mensenheugenis gedomineerd door drie politieke groeperingen: de christen-democraten, de socialisten en de liberalen, die in wisselende coalities België regeren. Sinds de jaren zeventig van de 20e eeuw zijn deze drie groeperingen opgesplitst in regionale Vlaamse en Waalse partijen.

De parlementaire verkiezingen van juli 1999 zorgden voor een grote verschuiving in het Belgische politieke landschap. Dit kwam met name door vele schandalen in de jaren negentig van de vorige eeuw, o.a. de moord op vice-premier André Cools, de Dutroux affaire, het Augusta-Dassault omkopingsschandaal en de verontreiniging van veevoeder met dioxine. Grote verkiezingswinnaars waren de groenen en de liberalen die samen met de socialisten een regering vormden onder leiding van Guy Verhofstadt. Voor de eerste keer sinds 1958 belandden de christen-democraten in de oppositie.

Het extreem-rechtse Vlaams Blok vormt tegenwoordig een factor van betekenis in zowel de Belgische landelijke als de plaatselijke politiek. In 1995 was in Antwerpen het Vlaams Blok met 27% van de stemmen de grootste partij. De actuele politieke situatie is beschreven bij het hoofdstuk geschiedenis.

Economie

Van 1960 tot 1974 kende België een groeifase in de economische ontwikkeling. De groei bedroeg toen gemiddeld 4,9% per jaar. In de recessieperiode 1974-1988 was er sprake van een trage groei of zelfs enkele jaren (1975 en 1981) een inkrimping van het bruto nationaal product (bnp). De groei van de economie bedroeg toen gemiddeld nog maar 1,7% per jaar.

De economische toestand werd sinds 1974 bovendien gekenmerkt door een hoge inflatiegraad, hoge werkloosheid, een verslechterende toestand van de openbare financiën en een schommelend saldo op de betalingsbalans. Belangrijk was ook de steeds verdere stijging van de overheidsuitgaven tussen 1960 en 1981. Onder invloed van de moeilijkheden in de openbare financiën werd het groeiritme van de overheidssector sinds 1981 afgeremd. Zowel qua werkgelegenheid als qua toegevoegde waarde hebben de sectoren landbouw, bosbouw en visserij, de bewerkende en verwerkende nijverheid duidelijk aan belang verloren ten opzichte van de dienstverlenende activiteiten. Een belangrijke groei werd onder meer geboekt in de financiële sector.

De welvaartstijging in de verschillende regio's is zeer ongelijk. Kijkt men naar de omzet dan hebben de Vlaamse stedelijke gebieden of stadsgewesten een bedrijfseconomische dynamiek die vijfmaal groter is dan in Wallonië; investeringen zijn in Vlaanderen viermaal groter. Ook het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking is zeer verschillend: in Vlaanderen behoort het inkomen tot de hoogste in Europa terwijl het in Wallonië onder het Europees gemiddelde blijft. Het gewest Brussel behoudt zijn sterke positie.

In Vlaanderen zijn de grote economische trekkers Antwerpen, Gent en de Vlaamse rand rond Brussel. In Wallonië kregen Luik en Charleroi grote klappen te verwerken. De driehoek Antwerpen-Genk-Brussel ontwikkelt zich tot één grote bedrijfseconomische regio met alle sociaaleconomische problemen van dien.

Belangrijk zijn ook de geografische verschuivingen. Het Vlaams Gewest heeft de sterkste expansie gekend en werd ook minder getroffen door de economische recessie. De provincies met een belangrijke werkgelegenheid in de zware nijverheid (Henegouwen en Luik) hebben de grootste moeilijkheden gekend.

De overheidsfinanciën waren in 2000 voor het eerst in vijftig jaar tijd in evenwicht. Het terugdringen van de staatsschuld staat al jaren hoog op de politieke agenda. Onder druk van de eisen voor toetreding tot de Europese Monetaire Unie is België er goed in geslaagd om de tekorten terug te dringen. Het begrotingstekort was in 2017 -1,5 % en de staatsschuld 104 % van het BNP. De groei van het bruto binnenlands product was in 2017 1,7%.

Land- en tuinbouw, visserij

Glastuinbouw Belgie

Foto:LHOON CC Naamsvermelding-Gelijk delen 2.0 Unported no changes made

De betekenis van de land- en tuinbouw voor de economie van België is in de loop der jaren steeds minder belangrijk geworden. Zo is het aantal arbeidsplaatsen sterk verminderd door o.a. mechanisering en de inkrimping van cultuurgrond. Deze sector wordt verder gekenmerkt door specialisering en schaalvergroting, met name in Wallonië. Tussen 1970 en 1987 werd het aantal bedrijven bijna gehalveerd, terwijl de gemiddelde oppervlakte per bedrijf met bijna 75% steeg. In België zijn op dit moment ongeveer 64.000 land- en tuinbouwbedrijven. De Belgische cultuurgrond wordt voor meer dan 95% gebruikt voor akkerbouw, weilanden en grasland.

In 2017 bedroeg het aandeel van de landbouwsector in het bruto binnenlands product 0,7 procent. Ondanks alles is de veestapel toegenomen, met name door de sterke toename van de varkensfokkerij.

Ten opzichte van de glastuinbouw is de tuinbouw in de open grond sterker toegenomen. Groenten nemen ongeveer de helft van de oppervlakte onder glas in beslag en de bloementeelt bijna 30%.

Ca. 600.000 ha van de Belgische oppervlakte is bedekt met bossen, met name in de provincies Luxemburg, Namen en Luik. De jaarlijkse houtproductie schommelt rond 1 miljoen m3, waarvan twee derde naaldhout.

België is voor Nederland één van de belangrijkste exportgebieden voor agrarische producten. In 2017 maakten agroproducten 15% van de totale export naar België uit.

Alleen de zeevisserij heeft in België commerciële betekenis: er wordt gevist in de Noordzee, de Newfoundlandse en IJslandse wateren. De belangrijkste aangevoerde vissoorten zijn kabeljauw, schol en tong. Tong is in waarde uitgedrukt het belangrijkste. De belangrijkste vissershaven is Zeebrugge, zowel in volume als in waarde. Garnalenvangst gebeurt langs de kust, oesterkweek te Oostende en Nieuwpoort.

Onder invloed van Europese visquota is de Belgische visvangst sinds de jaren zestig van de 20e eeuw sterk achteruitgaan.

Mijnbouw

Mijnbouw Belgie

Foto:Jean-Pol GRANDMONT CC3.0 Unported no changes made

Zowel de steenkoolwinning als de winning van ertsen als ijzer, zink, lood en koper heeft in België alle betekenis verloren. De volledige sluiting van steenkoolmijnen werd in 1992 voltooid. In 1988 bedroeg de Belgische steenkoolproductie nog 2,6 miljoen ton tegenover 11,4 miljoen ton in 1970. De dure subsidiepolitiek en de concurrentie van aardolie, aardgas en nucleaire energie hebben deze neergang bespoedigd. Vervangende werkgelegenheid voor de vele werkloze mijnwerkers is onvoldoende geweest. De ijzerertswinning in Belgisch Lotharingen bedroeg in 1976 nog maar 94.000 ton, genoeg voor slechts 0,5% van het totale Belgische ertsgebruik.

De winning van gesteenten is heel wat belangrijker dan de ontginning van ertsen. Genoemd kunnen worden Porfier, een eruptief gesteente, kwartsiet, harde zandsteen, harde leisteen voor dakbedekking, arduin of blauwe hardsteen, verschillende marmersoorten zoals zwart marmer, rood marmer en grijs marmer, kalksteen voor kalkovens en cementfabrieken, krijt, voornamelijk verwerkt in de kalkovens en de cementnijverheid, kalkfosfaat, waarvan de ontginning aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de superfosfatenindustrie, klei en leem voor steenbakkerijen en pannenfabrieken, klei, geschikt voor aardewerk en vuurvast materiaal, zand voor het bouwbedrijf en witzand als grondstof voor de glasnijverheid.

Energievoorziening

Kerncentrale Tihange Belgie

Foto:Hullie CC Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

De energiesector is in België zeer belangrijk voor de industrie, met name de metaal- en chemiesector. De industrie is de grootste verbruiker van energie gevolgd door huishoudelijk gebruik en daarna het overige bedrijfsleven.

De meeste energie wordt uit kernenergie gehaald die uitsluitend voor de elektriciteitsproductie wordt gebruikt.

Daarnaast wordt er energie geproduceerd uit aardolie, steenkolen, cokes, aardgas, waterkracht en alternatieve energiebronnen. Doordat België zelf niet over fossiele brandstoffen beschikt is men zeer afhankelijk van het buitenland.

Aardgas deed zijn intrede op de Belgische markt in 1966 en wordt voornamelijk ingevoerd uit Noorwegen, Nederland en Algerije. Aardolie vanuit het Midden-Oosten (o.a. Saoedi-Arabië, Libië, Iran), Noorwegen en Oost-Europa. België speelt een belangrijke rol als verdeler van aardgas voor de EU-landen.

Sinds 1991 zijn er in België geen steenkoolmijnen meer in gebruik. Wat er nog aan steenkool wordt verbruikt, wordt als energiebron ingevoerd vanuit het buitenland.

Industrie

Staalproductie Luik Belgie

Foto:François Schreue CCNaamsvermelding 2.0 België no changes made

Rond 1800 lag het zwaartepunt van de industriële bedrijvigheid nog in het Nederlandstalige landsgedeelte: textielnijverheid. Door de industriële revolutie en de ontginning van de steenkoolbekkens van Wallonië verschoof de industriële bedrijvigheid in de richting van het zuiden en de streek van Luik. Sinds 1900 en vooral na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de industrie zich weer sneller in de noordelijke provincies.

Onder de factoren die de naoorlogse verschuiving in de hand werkten, dienen vooral vermeld: de ontginning van het Kempisch steenkoolbekken, de wijzigingen in de energiebalans, de betere demografische verhoudingen in het Vlaamse gewest, de verkeersgeografische ligging en de vestiging van filialen van buitenlandse ondernemingen, mede in de hand gewerkt door een actief overheidsingrijpen.

De sterkst industrieën in België zijn de voedingsmiddelenindustrie, de chemie, de auto-industrie en de technologisch hoogwaardige productie in de metallurgie, de machine-industrie en elektronische apparatuur.

De transportmiddelenbranche is de belangrijkste metaalbewerkingsindustrie in België. Zij bestaat voor het grootste gedeelte uit auto-assemblagebedrijven en 250 toeleveranciers aan de auto-industrie. Elk jaar worden er 1 miljoen personenauto's geassembleerd waarvan ca. 95% wordt geëxporteerd. Verder worden er vrachtwagens, opleggers, bussen en aanhangwagens geproduceerd. Bovendien zijn er enkele grote Belgische producenten van tram- en spoorwegmaterieel, zoals Alstom en Bombardier.

In 2000 droeg de bouw voor 4,7 bij aan het bruto binnenlands product en zij is ook belangrijk voor de werkgelegenheid. In 2000 werkten er 237.000 mensen in de bouw en eind jaren negentig waren er iets meer dan 70.000, vaak kleine bedrijven.

De chemische industrie is één van de belangrijkste industrieën in België. In de voornamelijk middelgrote en kleine bedrijven werken ca. 100.000 mensen. De belangrijkste handelspartners van de chemische branche zijn Duitsland, Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Italië. De chemische industrie speelt zich voor tweederde in Vlaanderen en voor eenderde in Wallonië af.

De textielindustrie is naast één van de grootste industriële sectoren ook één van de grootste werkgevers. Na Italië, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, neemt België in West-Europa wat betreft marktomzet de vijfde plaats in. De subsectoren interieurtextiel, kleding en technisch textiel zijn het belangrijkst. 70 procent van de productie is bestemd voor de export.

In de machinebouw (mechanica en mechatronica) zijn hoogtechnologische bedrijven actief. o.a. fabrikanten van machines, apparatuur en onderdelen. Verder veel bedrijven die zich toeleggen op toelevering aan de industrie, inspectie en certificatie en onderhoud en reparatie. Bijna 70% van de productie gaat naar het buitenland.

De metaalindustrie in België wordt ingedeeld in de sectoren non-ferrometalen, metaalproducten, kunststofproducten, machine-industrie, elektrotecniek en elektronica, ICT-branche, auto-industrie en lucht- ruimtevaart en defensie en veiligheid.

De vroeger zo sterke staalindustrie in Wallonië heeft het de afgelopen decennia moeilijk gehad, ondanks steun van de overheid. Door het terugdraaien van de overheidssteun is er flink gereorganiseerd in de staalindustrie en het grootste Waalse staalbedrijf Cockerill Sambre kwam voor meer dan de helft in handen van het Franse staalconcern Usinor.

De olie-industrie bestaat uit twee bedrijfstakken, namelijk de verwerking van ingevoerde ruwe aardolie en de verhandeling van geraffineerde producten. De olie-industrie en de petrochemische industrie hebben zich in de buurt van de havens van Antwerpen en Gent ontwikkeld. De haven van Antwerpen, na Houston in de Verenigde Staten, op de tweede plaats van de wereldranglijst van petrochemische centra.

De ingevoerde ruwe aardolie wordt in België verwerkt door twaalf op de export gerichte raffinaderijen. De sector bestaat uit zowel internationale bedrijven als zelfstandige invoerders, handelaren, en kleine en middelgrote bedrijven. Als gevolg van de tweede oliecrisis, toen energiebesparing en de omschakeling op andere energievormen steeds belangrijker werden, is de bedrijvigheid in deze sector behoorlijk achteruitgegaan.

Handel

Belgie Export

Foto:R Haussmann, Cesar Hidalgo, et. al CC3.0 Unported no changes made

De Belgische economie richt zich heel sterk op de internationale handel en de export draagt dan ook voor meer dan 70% bij aan het bnp.

De Belgische economie is een open economie, waarin de welvaart zeer afhankelijk is van de buitenlandse handel. Binnen de EG-landen heeft België, na Luxemburg, de grootste afhankelijkheidscoëfficiënt. Sinds de jaren zestig expandeerde de buitenlandse handel. In 2000 bedroeg de totale invoer in België 202.426 miljoen euro en de totale uitvoer uit België 186.728 miljoen euro.

Lang was Nederland de belangrijkste afnemer van Belgische producten. Sinds de jaren zeventig zijn dat Duitsland en Frankrijk en verder nog Engeland en Italië. De belangrijkste invoerpartners zijn Duitsland, Frankrijk, Nederland, Verenigd Koninkrijk en Italië.

Verkeer

Hoge Snelheids Treinen Belgie

Foto:JH Mora Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported no changes made

De verkeerssector is van groot belang voor de Belgische economie. De ontwikkeling van de verkeerssector wordt sterk bevorderd door de grote bevolkingsdichtheid, de groeiende industriële en commerciële bedrijvigheid en de ontwikkeling van de Europese Unie.

Het personenvervoer werd al in de negentiende en begin twintigste eeuw sterk bevorderd door het uitbouwen van het spoorweg- en buurtspoorwegnet. In 1860 beschikte België al over 5000 km spoorlijnen, en het buurtspoornet bereikte net voor de Eerste Wereldoorlog dezelfde lengte. Hierdoor had het spoor een grote invloed op de ruimtelijke spreiding van woon- en werkgelegenheden. Het gebruik van het openbaar vervoer kende rond 1960 een hoogtepunt.

De grote mobiliteitstoename is daarna echter volledig voor rekening van het groeiend aantal personenwagens gekomen.

Het spoorwegnet van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen had eind 1988 nog een lengte van 3554 km, waarvan 2240 km geëlektrificeerd. De grondige hervorming van het spooraanbod in 1984, met de invoering van intercity- en interregioverbindingen heeft het vervoer over langere afstand geconsolideerd en de productiekosten afgeremd.

Het overheidsplan STAR 21 omvat herstructurering van het gehele spoorwegsysteem in België, met uitbreiding en modernisering van de bestaande spoorwegen, spoorwegwerken en stations, maar ook de completering van het Belgische deel van het HST-traject Parijs-Brussel-Keulen-Amsterdam.

Het stedelijk openbaar vervoer wordt geëxploiteerd door Maatschappijen voor Intercommunaal Vervoer, tot 1988 gesubsidieerd door de staat en vanaf 1989 door het betrokken gewest. In de periode 1963-1988 werd zeer veel geld besteed om de grote agglomeraties, vooral Brussel, Antwerpen en Charleroi, met een metro- of premetronet uit te rusten.

In 1991 werd de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn opgericht, die instaat voor het stads- en streekvervoer in het Vlaams Gewest. In het Waals Gewest en te Brussel bleven de lokale diensten bestaan. Alleen Brussel beschikt over een echte metro.

Het streekvervoer voldeed steeds minder aan een wezenlijke behoefte: het aantal reizigers daalde van 306 miljoen in 1980 naar 244 miljoen in 1988 en tot 242 miljoen in 1990. De kwalitatieve achteruitgang van de dienstverlening, de verkeersmoeilijkheden in de binnensteden, de sterke tariefverhogingen en de verminderde overheidsbijdragen waren de grootste oorzaken van deze terugloop.

Tegenover het stagnerend openbaar vervoer stond de enorme expansie van het autoverkeer. België heeft het dichtste wegennet van de Europese Unie per honderd vierkante km: nl. 462 km, en naast Hongkong, Macau en Singapore ook ter wereld. Ook voor de autowegen behoudt België de eerste plaats; net voor Nederland: 55 km per 1000 km2.

In België zijn vijf belangrijke vliegvelden, Zaventem bij Brussel, en de kleinere regionale vliegvelden Antwerpen-Deurne, Charleroi-Gosselien, Luik-Bierset en Oostende Airport.

Het luchtverkeer expandeerde sterk door onder meer de democratisering van het passagiersverkeer, vooral bij de toeristische vluchten. Zaventem neemt in Europa de vijfde plaats in wat betreft vrachtvervoer en Bierset staat op de twaalfde plaats.

Het goederenvervoer werd sterk beïnvloed door de expansie van de havenbedrijvigheid en de industriële mutaties die niet zozeer het massavervoer dan wel het gediversifieerd internationaal vervoer over de weg in de hand werkten.

De vormen van gecombineerd vervoer kwamen sterk tot ontwikkeling, terwijl het vervoer ook meer en meer als schakel in een geïntegreerde productieketen werd benaderd.

Antwerpen Haven

Foto:Wwuyts CC Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

België heeft vier zeehavens: Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende en drie grote binnenhavens: Brussel, Luik en Charleroi. De haven van Antwerpen is na de haven van Rotterdam de grootste haven van Europa.

Antwerpen is vooral een containerhaven; zo'n 60% van het stukgoedvervoer wordt in containers aangevoerd. De enorme inspanningen tot uitbouw van Zeebrugge is vooral een doorvoerhaven en gespecialiseerd in containerhaven en roll-on-roll of vervoer.

De haven van Gent is een middelgrote zeehaven met een aantal industriële specialisaties. De haven van Oostende is de kleinste zeehaven en gespecialiseerd in roll-on roll-off vervoer, overslag en vervoer van zand en grind.

Het vervoer over de binnenwateren is geconfronteerd met een overcapaciteit in geheel Europa en veroudering van de vloot van vooral kleinere schepen waarvan het grootste deel eigendom is van schippers met één schip. Het Belgische binnenvaartnet is 1506 km lang, waarvan 406 km bevaarbaar is voor schepen van 1350 ton en meer.

Toerisme

Plopsaland Belgie

Foto:Publiek Domein

Door de gestegen welvaart en de toenemende vrije tijd kende sedert 1950 ook het toerisme een groeiend belang voor de Belgische economie. Dit blijkt onder meer uit de sterk stijgende belangstelling voor recreatiedomeinen van velerlei aard (eendagstoerisme), maar ook uit het aantal overnachtingen in België. De belangrijkste toeristische gebieden in België zijn: de kust: 26,6%; kunsthistorische steden (Antwerpen, Brugge, Brussel, Doornik, Gent, Leuven, Luik, Mechelen en Tongeren): 20,8%; Maas en Ardennen: 22,5%; Kempen 18%; andere toeristische gemeenten 12,2%.

De Ardennen trekken zowel 's zomers als in de winter toeristen. Dit gebeid telt gemiddeld 40 tot 75 sneeuwdagen per jaar en beschikt over pistes voor alpine-skieën en langlaufloipes.

Overige economische activiteiten

Hypermarche belgie

Foto:Jean Housen CCNaamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

De Belgische detailhandel lijkt meer op de Franse detailhandel dan op de Nederlandse. Zowel in Frankrijk als in België zijn winkelcentra buiten de stad te vinden, ontstaan vanuit de grote supermarkten of hypermarchés. De Belgische detailhandel wordt gedomineerd door buitenlandse bedrijven en met name geldt dat voor de voedingsmiddelenmarkt en de kledingsector.

België was één van de eerste industrielanden in Europa, maar heeft zich de afgelopen decennia veel meer tot een diensteneconomie ontwikkeld. In 2017 droegen diensten in België voor 77% bij aan het bnp. Veel diensten zijn gerelateerd aan de industrie, en dat varieert dan van loonadministratiebedrijven, accountancy, juridische dienstverlening, callcenters en consultancy. De dienstensector met veel Belgische maar ook buitenlandse bedrijven bevindt zich vooral in de Brusselse regio, met name vanwege de centrale ligging in Europa en de nabijheid van de vele instanties van de Europese Unie. De financiële dienstverlening draagt in belangrijke mate bij aan het bruto nationaal product. De vele kleine banken in België zijn door fusies met vooral Nederlandse en Franse banken tot grote concerns uitgegroeid.

De Belgische voedingssector met zijn vele kleine bedrijven neemt wat omzet betreft de derde plaats in binnen de totale Belgische industrie. Ca. 80% van de export gaat naar EU-landen.

Vakantie en bezienswaardigheden

Belgie Trappistenbier

Foto:Charly H CCNaamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

België heeft alles voor een gevarieerde vakantie. Er is veel te zien en te doen in grote steden als Brussel, Antwerpen, Brugge en Gent. Er kan gewandeld en gefietst worden door prachtige natuurgebieden als de Ardennen en er kan gerelaxt worden aan de Belgische stranden met badplaatsen als Knokke en Oostende en er is altijd tijd voor een pintje.

Brussel Grote Markt

Foto:Vase Petrovski Creative Commons Attribution 2.0 Generic no changes made

Een van de toeristische hoogtepunten van de hoofdstad Brussel en sinds 1998 een werelderfgoed van de UNESCO, is de Grote Markt (Frans: Grand-Place), met stadhuis (15e eeuw), het Broodhuis (waarin nu het Museum van de Stad Brussel) en diverse gildehuizen. Veel toeristen poseren samen met Manneken Pis en in minder mate met de vrouwelijke tegenhanger, Jeanneke Pis. Andere belangrijke bezienswaardigheden in Brussel zijn de Kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele (13e eeuw) en de Kunstberg (Frans: Mont des Arts), met een magnifiek uitzicht over de stad. Verder zijn er nog het Koninklijk Paleis van Brussel, gebouwd tussen 1774 en 1780 in de stijl van Lodewijk XVI. Zeer de moeite waard zijn ook de schilderachtige wijk rond de Grote Markt, Ilôt Sacré; dé winkelstraat van Brussel, de Boulevard Waterloo; het Warandepark met langs de symmetrische lanen een muziekkiosk, standbeelden, fonteinen en openluchttheaters; de wijk Zavel (Frans: le Sablon) in het historische hart van Brussel met de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavelkerk, de Kleine Zavel, een park waarin 19e-eeuwse beeldhouwers 48 oude ambachten in brons uitbeelden en de zondagse antiekmarkt. Een moderne attractie is het Atomium, een futuristische atoomvormige aluminium toren, gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1958. Net ten zuiden van Brussel ligt het terrein waar de Slag van Waterloo uitgevochten werd, de veldslag die zo van invloed was op de geschiedenis van België en het moderne Europa.

Belgie Antwerpen het Steen

Foto:Jean-Pol GRANDMONT CC 3.0 Unported no changes made

Ook Antwerpen heeft een Grote Markt met een imposant stadhuis en veel gildehuizen, maar ook met de Brabofontein, die de legende van het ontstaan van Antwerpen uitbeeldt, en de 18e-eeuwse Groenplaats met een standbeeld van de wereldberoemde Antwerpse schilder Peter Paul Rubens. Antwerpen staan ook bekend om de Zoo, een van de oudste dierentuinen ter wereld en de burcht de Steen, het oudste gebouw van Antwerpen (begin 13e eeuw). Nieuw is het Museum aan de Stroom (MAS), dat in mei 2011 openging met 460.000 collectiestukken over stad, haven en scheepvaart.

Brugge Belgie

Foto:Jean-Christophe BENOIST CC 3.0 Unported no changes made

Het historische Brugge biedt voor de toerist veel cultureel erfgoed, waaronder het goed bewaard gebleven pittoreske centrum. De veel van oorsprong middeleeuwse panden zijn in de 19e eeuw echter 'verfraaid', herbouwd of gerestaureerd in een neogotische stijl. Bijzonder zijn de jaarlijkse Heilig-Bloedprocessie en de vijfjaarlijkse Gouden Boomstoet. Ook in Brugge weer een Grote Markt, met het Belfort of Halletoren, sinds 1999 opgenomen in de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Het Bruggemuseum is de verzamelnaam voor 12 musea die ieder vanuit hun eigen invalshoek iets over de geschiedenis van Brugge vertellen, onder ander het Guido Gezellemuseum, het Gruuthusemuseum, het Volkskundemuseum en het Archeologiemuseum.

Belgie Graslei in Gent

Foto:Thomas Kindermans CC3.0 Unported no changes made

Gent telt bijna 10.000 waardevolle onroerend goed objecten, en de binnenstad staat dan ook vol met bezienswaardigheden. Het gezicht van de stad wordt bepaald door de 'Gentse torenrij', bestaande uit de Belforttoren, een UNESCO-werelderfgoed, de toren van de Sint-Bataafskathedraal en de toren van de Sint-Niklaaskerk. De Boekentoren van de universiteitsbibliotheek wordt soms gezien als de 'vierde' toren van Gent. Imposant is het Gravensteen, de enige overgebleven middeleeuwse burcht (12e eeuw) in Vlaanderen. In het Prinsenhof werd in 1500 de latere keizer Karel V geboren. Het Sint-Jorishof is het oudste hotel van Europa. Naast de al genoemde kerken heeft Gent nog twee middeleeuwse kerken: de Sint-Michielskerk en de Sint-Jacobskerk.

Belgie Luik

Foto:A.Savin CCAtribuição-CompartilhaIgual 3.0 Não Adaptada no changes made

Luik is de grootste stad van Wallonië en ligt aan de Maas, het is een zeer populaire toeristische bestemming. De geschiedenis van Luik is te zien in het museum Grand Curtius, het industriële verleden wordt tentoongesteld in het Maison de la Métallurgie et de l'Industrie de Liège, en het leven in Wallonië is te zien het Musée de la Vie Wallonne. Andere musea zijn het Museum voor Waalse Kunst, het Museum voor Moderne en Hedendaagse Kunst en het Musée des Transports en commun du Pays de Liège. Voor opmerkelijke kerkelijke architectuur kan men terecht bij de romaanse Sint-Bartolomeuskerk met het vroeg 12e-eeuwse doopvont, de Sint-Maartensbasiliek en de Sint-Pauluskathedraal. Een uitdaging vormt de Montagne de Bueren, een trap met maar liefst 374 treden.

Belgie Vlaamse Kust

Foto:Luna04 CCNaamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported no changes made

De Vlaamse Kust is een ca. 67 kilometer lange kuststrook aan de Noordzee en voor België een van belangrijkste toeristische regio's, hoewel er veel er de afgelopen vijftig jaar veel natuur verdwenen is door de steeds verder oprukkende verstedelijking. Maar de enige kuststrook van België heeft nog steeds veel te bieden aan de toerist. Naast prachtige stranden komen ook de cultuur-, sport- en geschiedenisliefhebbers volledig aan hun trekken, en ook de natuur is op sommige plaatsen zeer de moeite waard. De meest populaire badplaatsen zijn Blankenberge, Knokke, Middelkerke en Oostende, maar bezoekers kunnen ook terecht in vele musea, een aantal pretparken en zeeaquariums.

Ardennen Belgie

Foto:Jean-Pol GRANDMONT CC Naamsvermelding 3.0 Unported no changes made

De Ardennen, een gebied dat zich uitstrekt tot in Frankrijk en Luxemburg, is een zeer populair vakantiegebied in Wallonië, in het zuidoosten van België op korte afstand van Nederland. De Ardennen zijn vooral een trekpleister voor natuurliefhebbers, fietsers en wandelaars, kortom de actieve toerist. De Ardennen zijn te verdelen in een gebied met een rustig glooiend landschap, het andere gedeelte is wat ruiger met uitgestrekte bossen, grillige rotsformaties en steile kliffen. Kastelen, hoeves en oude dorpjes wijzen op een rijke historie, en ook de Tweede Wereldoorlog heeft haar sporen hier achtergelaten. Het kasteel van Bouillon is een middeleeuws kasteel, bestaande uit drie forten die met elkaar verbonden zijn; het labyrint van Barvaux is een trekpleister voor groot en klein en heeft elk jaar een ander thema; in Bastenaken (Frans: Bastogne) ligt het Bastogne Historical Center, het belangrijkste museum over de Slag om de Ardennen; Plopsa Coo is een pretpark voor de kleintjes bij de watervallen van Coo; De Grotten van Han in Han-sur-Lesse is een van de grootste grottencomplexen van Europa.

Klik op de menuknop bovenaan het scherm voor meer informatie

BELGIE LINKS

Advertenties
• België met de Trein
• Belgie Tui Reizen
• Vakantieparken in België
• Brussel Vliegtickets Tix.nl
• België Hotels
• Autoverhuur Sunny Cars België
• Autohuur Belgie
• Ardennen Tui Reizen
• Belgie Vliegtickets.nl
• België Campings

Nuttige links

België Foto's Kees Hulsen
België Reisfoto's
Campersite België (N)
Dieren in België (N)
Lies en Teije's Reiswebsite (N+E)
Reisfotografie (N)
Reisinformatie België (N)
Reizendoejezo – België (N)
Telefoongids België

Bronnen

België, een manier van leven

Lannoo

Europese Unie : vijftien landendocumentaties

Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs

The Stateman's Yearbook: the politics, cultures and economies of the world

Macmillan Press Limited

CIA - World Factbook

BBC - Country Profiles

laatst bijgewerkt April 2021
Samensteller: Arie Verrijp / Geert Willems